dinsdag 21 februari 2012

Verhuizen naar Aoyama: de generale repetitie

Zo stilaan breekt de tijd van afscheid nemen van Japan aan. Hoewel ik nog een maand in Tokyo verblijf, moest ik al wel de dorm verlaten waar ik een klein jaar heb gewoond. Het universitaire jaar in Japan is inmiddels afgesloten. Afscheid nemen van Japan valt zwaar. Dat moet voorzichtig en in etappes gebeuren. Bij wijze van generale repetitie heb ik mezelf verhuisd naar een appartement in Aoyoma, ben ik druk met het bedenken van omiyage (souvenirs) voor Nederland en heb ik de laatste dagen genoten van Japans vertier en eten. Dit vertier bestond onder andere uit het weerzien met een Leidse studiegenoot, Sander Schoen, en het bezoek aan een Japans restaurant met de vrienden van de dorm. Hieronder een kort verslag van de afgelopen dagen.

De 17e februari was het zover. Ik trok uit de dorm waar ik sinds maart 2011 heb gewoond, omdat dit de officiële vertrekdatum was voor studenten die hun uitwisselingsprogramma na een jaar afronden. Dat ik op aanraden van de universiteit later ben gearriveerd, dat het collegejaar later is begonnen, allemaal ten gevolge van de aardbeving annex tsunami, doet er vandaag niet meer toe. Zoals het de ijzeren Japanse regelgeving betaamt, kon er niet aan de eindtermijn getornd worden en moest ik derhalve mijn spullen verhuizen naar een appartement in Aoyama, dat mij allervriendelijkst door mijn Japanse familie werd aangeboden.

Afscheid oefenen dus. Samen met mijn dormgenoten, die ook huiswaarts zullen keren. Ik was toevallig de eerste die daar opstapt en we hebben gezamenlijk geoefend om in dit geval mijn vertrek. Martina heeft pastasaus voor me gekookt en Lucia en Jack hebben geholpen met het leegruimen van de kamer. Tijdens de er op volgende nomikai (het drinkuitje) werd duidelijk dat men het jammer vindt dat ik de dorm verlaat. Nakamura-san - de huismeester en inmiddels goede kennis - was er ook en één van de resident-assistants had speciaal haar studie gelaten voor wat het was om er bij te kunnen zijn. Dat is geen lichtvaardig besluit in Japan. Ik doe er toe!

En dan op naar Aoyama. Degenen die iets van Tokyo afweten, zullen opmerken dat dit één van de duurste buurten van Tokyo is, vergelijkbaar met de PC Hooftstraat in Amsterdam. Mijn appartement echter bevindt zich in een kleurloos kantoorgebouw dat tussen de boutiques en designmeubel-zaken bijna niet opvalt. Het betreft hier een vestiging van het prive-detective bedrijf van Naotaka I., een van de broers van mijn Japanse vader. Wie aan een op Derrick gelijkende speurder met grijze regenjas en Duitse bril en zware wallen onder de ogen denkt, komt van een koude kermis thuis: in Japan is een privé detective iets anders. Het gaat hier om een ZZP-er die hoofdzakelijk overspel opspoort, een behoorlijke usance in deze jachtige metropool. De lange dagen die Japanse kantoormannen op hun werk doorbrengen zorgen ervoor dat de vrouwen bij gebrek aan gezelschap wel eens een andere man over de vloer hebben. Het omgekeerde komt net zo goed voor, manlief is gestationeerd in een andere stad, wijk of buurt, komt niet thuis, vanwege verkeer of verplichtingen aan werk en collega's en geniet van het gezelschap van andere dames terwijl zijn echtgenote het huishouden draaiende houdt. Omdat de huizen in Tokyo in de regel nogal krap zijn en gehorig, zijn zogenaamde love-hotels uit de grond gestampt om enige discretie mogelijk te maken als de overspelige liefde wordt bedreven. De detective staat comfortabel bij de ingang achter de palm of pilaar en neemt foto's, waarmee de op heterdaad betrapte helft van een koppel met zijn of haar uitglijder geconfronteerd kan worden. Merkwaardig - althans in mijn Westerse observatie - is dat de detective in kwestie er naast zijn detectivebureau ook een datingservice op na houdt, om de man en de vrouw uit de op de klippen gelopen relatie weer van een nieuwe partner te voorzien. Deze service wordt gedurende het weekend samen met zijn vriendin gerund, die dit er 'even' bij doet naast haar dagelijkse werk als tandarts.

De vestiging in Aoyama stond leeg, omdat de Japanse wet vereist dat er een kantoor aanwezig is in de wijk waar een bedrijf wil opereren, maar dit kantoor hoeft niet perse gebruikt te worden. Toen ik het pand voor de eerste keer ter bezichtiging betrad, troffen we dan ook een wirwar van kabels aan, waarmee de telefoon en het internet doorgeschakeld worden naar het eigenlijke kantoor in het even verderop gelegen Akasaka. Inwendig moest ik wel even grinniken, want ik had weliswaar al eens gelezen over wonderlijke bedrijfsconstructies in Japan, maar nu stond ik er ook middenin. Het gaf weer eens blijk van het feit dat alles in Japan een andere functie kan hebben dan het lijkt te hebben.

Na goed en wel in het appartement te zijn ingetrokken, was het tijd om de buurt te verkennen. De ene Porsche na de andere Mercedes snelde voorbij en het trottoir leek louter te worden bevolkt door verveelde moeders die het het geld van hun te rijke mannen aan een volgende Gucci-tas gingen uitgeven. Het vreemde is wel, of eigenlijk ook weer niet aangezien het hier Japan betreft, dat je op het ene moment langs een futuristische constructie van beton en glas loopt die een vestiging van Louis Vuitton herbergt, terwijl in het naburige pand een onooglijk winkeltje huist dat in sanitair handelt. Kortom, het betrof hier weer een staaltje van Japanse bouwwoede en het gebrek aan een welstandscommissie. Als deze er was geweest, had ze vast een rolberoerte gekregen van de lukraak neergezette betonnen kolossen en de piepkleine familiebedrijfjes die daartussen nog waren overgebleven.

Hoewel ik de dorm weliswaar had verlaten, zagen we elkaar afgelopen zaterdag weer aan de Omotesando dori, waar de uit Zweden afkomstige Peter een restaurant had besproken. Ook dit gebouw was weer wonderlijk ingericht. Ietwat verscholen achterin de zaak bevond zich een trapje, dat leidde naar het restaurant Honoji dat welhaast uit een achterafstraatje van de oude hoofdstad Kyoto leek te zijn weggenomen en in de betonnen massa van Tokyo ingeplant. Het was wel even zoeken naar de juiste gerechten, want het menu was opgesteld in een uiterst verfijnde, maar moeilijk leesbare stijl van kalligrafie. Zo bleek toen een van de gerechten werd binnengebracht dat we niet de rijkelijk met alcohol overgoten geitenkaas binnenkregen, maar dat het hier geitenkaas overgoten met kippenlevertjes betrof. Na even geslikt te hebben werd het binnengebrachte gerecht toch opgegeten, maar het deed ons wel plechtig beloven dat we de volgende keer eerst de ober om hulp zouden vragen alvorens wat te bestellen.

Welaan. Nog een maand. Ik heb zin in huis en in familie. Maar zou het liefst Japan en zeker een aantal Japanse en dormvrienden meenemen. Op zoek dus naar een baan waar pendelen tussen Oost en West tot de mogelijkheden behoren zal.

zondag 12 februari 2012

Vrijwilligerswerk in de Tohoku: een steentje wegdragen

Hoewel de grote Tohoku aardbeving en tsunami op het moment van schrijven alweer bijna een jaar geleden zijn, is de herinnering aan de ramp in Japan nog springlevend. Ook vertrekken iedere dag vrijwilligers vanuit het hele land naar het rampgebied, om hun steentje bij te dragen aan het puin ruimen en om de getroffenen moed in te spreken. Ook Waseda stuurde onlangs een Engelstalige vrijwilligersexpeditie op pad, waar ik ook aan deelnam.

11 Maart vorig jaar voltrok Japan's grootste ramp van de afgelopen 65 jaar zich in de Tohoku. Een aardbeving met een kracht van 9 op de schaal van richter schudde de aarde. Alsof dit al niet genoeg was, volgde op de aardbeving de verwoestende tsunami, die op sommige plaatsen een hoogte van wel 40 meter bereikte. Hele nederzettingen werden weggespoeld en maar liefst 15000 mensen lieten het leven. Op het moment van schrijven zijn nog zeker 3000 mensen vermist en leven duizenden slachtoffers in de tijdelijke woningen die voor hen zijn neergezet.

Hoewel ik de ramp op televisie had gezien, meende ik dat het in levende lijve op de rampplek aanwezig zijn het abstracte leed van de televisie menselijke proporties zou geven. Hieronder volgt een verslag van ons bezoek als Waseda-studenten aan de rampplek, en de zaken die daarbij opvielen
.

Zaterdagavond 4 februari was het verzamelen geblazen in het Okuma Garden House, de lunchruimte van de Waseda universiteit. Onze dormmanager, Hiroshi Sugino, had zich ook opgegeven voor de activiteit, dus getweeën begaven we ons naar de briefing. Nadat iedereen zich had aangemeld bij de staf, was het de beurt aan meneer Yamaguchi, de leider van het Waseda Volunteer Center. Hij was reeds negen keer naar de Tohoku geweest, dus hij kon vertellen over hetgeen ons te wachten stond. Meneer Yamaguchi waarschuwde dat we er op voorbereid moesten zijn dat oog in oog staan met de verwoestingen voor sommigen wellicht te veel zou worden. Ook drukte hij ons op het hart om goed te communiceren, zodat de activiteit ordelijk zou verlopen en om onze gevoelens goed te uiten. Na deze eerste waarschuwingen werd het plan voor onze expeditie ontvouwd. We zouden met de nachtbus naar de Iwate prefectuur trekken, die in het noordwesten van het eiland Honshu ligt. Op zondag stond het sneeuwruimen in Kamaishi op het programma en de maandag zouden we een lezing gaan bijwonen van een slachtoffer van de ramp. Na de uitleg deelde meneer Yamaguchi ons in groepen in. Na een korte kennismakingsronde met het team begaven we ons naar de bus en reden we noordwaarts Tokyo uit.

Na een busreis van ongeveer elf uur arriveerden we bij het Toono Cleanup Center, waar andere vrijwilligers al waren aangekomen. Het druilerige weer van Tokyo had plaats gemaakt voor een flink pak sneeuw. We waren dan ook blij dat we voldoende warme kleding bij ons hadden, temeer daar er in alle ochtendvroegte gymnastiek op het programma stond. De radio ging aan, de armen en benen werden gestrekt, en op een vrolijk deuntje werden de stijve ledematen weer enigszins soepel gemaakt. Na deze lichamelijke oefening gaf een lokale vrijwilliger ons instructies en toog ons mee naar de haven van Kamaishi. Al hoewel we ons hadden ingesteld op de verwoesting die we zouden aantreffen was de daadwerkelijke aanblik erger. Niet zozeer omdat we het puin nu met eigen ogen zagen, maar omdat er eigenlijk verrassend weinig over was van het puin. Hier en daar stonden nog enkele gebouwen overeind, maar voor de rest was plek waar eens de haven van Kamaishi te zien was geweest met de grond gelijk gemaakt. Doordat de situatie van vlak na de ramp niet meer waar te nemen was, werd het aan ons eigen voorstellingsvermogen overgelaten hoe erg de ramp moest zijn geweest. Met name toen ons verteld werd dat de tunnel waardoor we naar de haven reden vol had gelegen met stoffelijke overschotten en puin, drong de ernst echt tot ons door.

De golven in Kamaishi waren maar liefst 22 meter hoog geweest en hadden alles op hun weg meegenomen. De paar gebouwen die we zagen bij het binnenrijden van de haven waren voorzien van verschillende merktekens, om de staat van het gebouw aan te geven. Gebouwen met rode vlaggen waren verboden terrein, aangezien deze op instorten stonden. De bewoners hadden toestemming gegeven om deze huizen te slopen, aangezien ze niet meer te redden waren. Uit gebouwen met een gele vlag mochten alle spullen worden verwijderd, omdat de vloedgolf de inventaris onherstelbaar had beschadigd. Huizen met een kruis op de muur ten slotte, herbergden één of meerdere dodelijke slachtoffers. Natuurlijk waren de lichamen al lang geleden geborgen, maar de wetenschap dat de doden niet alleen meer een nummer op televisie waren was behoorlijk ontnuchterend. Bij de overblijfselen van wat eens een middelbare school was geweest hielden we stil, en kregen we instructies van een vrijwilliger die al maanden onverstoorbaar puin aan het ruimen was. De sneeuw om de noodwoningen die voor de slachtoffers waren gebouwd, lag te hoog opgetast, dus wij moesten deze gaan verwijderen. Met vereende krachten werd de sneeuw, die op sommige plekken al begon te bevriezen, verwijderd en op een hoop verderop gegooid. Ons team bestond uit een Chinese, twee Japanners, een Amerikaan en ik, dus het was een internationale samenwerking. Het was hartverwarmend om te zien hoe de slachtoffers die in de noodwoningen wonen ons bedankten en hoe hun gezichten oplichtten door de wetenschap dat ook buiten Japan aan hun lot wordt gedacht.





Na het sneeuwruimen was er gelegenheid voor de werkers om zich op te frissen in de Onsen en werd er overnacht in een middelbare school in Hakozaki, een stadje in de buurt. De maandag moesten we alweer vroeg uit de veren, want er stond een lezing in het noordelijker gelegen Tagajo op het programma. In de Baptistenkerk aldaar hield één van de slachtoffers een lezing over de traumatische ervaring die hij had opgedaan tijdens de ramp. Terwijl de golf met een noodvaart landinwaarts rolde, probeerde deze meneer Otomo om een bejaarde man die niet snel genoeg kon lopen te redden. Echter, vlak voordat hij de bejaarde man in veiligheid had kunnen brengen, raasde de golf op hen af, en had hij noodgedwongen alleen zijn toevlucht moeten zoeken in een schoolgebouw. Meneer Otomo had de oude man koste wat het koste willen redden, maar de man had hem verzocht om alleen verder te gaan, omdat hij wist dat ze anders getweeën door het kolkende water zouden worden verzwolgen. Het laatste wat meneer Otomo zag van de man was hoe hij kopje onder ging. Diep onder de indruk van dit relaas stapten we in de bus om de reis huiswaarts te aanvaarden. Alhoewel we slechts enkele uren sneeuw hadden geruimd, had de algehele aanblik van de Tohoku onze perceptie van de ramp blijvend doen veranderen.

zaterdag 11 februari 2012

Japan+hemelwater part two: rainchains

Beste pim-san, Zoals altijd Ik heb uw bericht over de Japan+hemelwater hiervoor met veel plezier. Je regelmatig in slagen om te gaan met de niches, onderwerpen die niet vaak worden geschreven over. In dit specifieke geval wil ik reageren op uw geestige en tegelijkertijd nuttig verhaal over de Japanse drainage systeem.

Een andere leuke functie in het Japans aftappen is inderdaad de regen keten, deze functionele en zeer decoratieve kettingen die worden gebruikt voor eeuwen in plaats van de regenpijpen zoals wij die kennen ze hier in Texel. Ze kunnen gewoon kettingen gemaakt van ijzer links, maar het kan worden vormgegeven in ieder geval. Emmertje-achtige vormen zijn populair

Als Terry welsprekend zegt het is één ding om een regen-keten, de verbinding met het dak of de dakgoot is iets heel anders te kopen. Alleen het boren van een gat in de goot is niet de truc doen, is het heel moeilijk om de keten te bereiken aan de goot. Tenzij je heel goed de klussers je zelf vindt te zijn.

De Japanse volk echter te erkennen, en dit probleem opgelost. In elke DIY-doe-het-winkel van belang dat u in staat zullen zijn om een vrij fatsoenlijke rainchain kit te verkrijgen. De verbinding met de goot is opgenomen. Tegenwoordig rainchains zijn ook beschikbaar gemaakt van hard plastic, dat is wel aardig als je kunt nemen het samen met het vliegtuig in de lucht bagage

Pas op! Als de regen ketting is gemaakt van hard plastic heb je om het te hechten aan de grond, anders had wil weg te blazen met de minste windvlaag. Het kan goed swing in je gezicht, dus opgepast. Ook de kinderen niet fraai met de gezicht opengehaald.

Nou, de slimme Japanners erkennen, deze vervelende side-effect van de plastic-keten maar ook: uw kit wordt geleverd inclusief met een decoratieve zwaar gewicht dat je kunt hechten aan de ketting.

Ik hieronder ook enkele foto's als van je om mezelf duidelijk
Met de meeste hoogachting
Olfert
.




vrijdag 10 februari 2012

Japan+hemelwater: very famous in japan

Inmiddels heb ik talloze autoritjes meegereden in, door en rond Higashimatsuyama-city, waar mijn favoriete Japanse familie woont. Higashimatsuyama-stad is een middelgrote stad van plm. 90.000 inwoners gelegen ten Noordoosten van Tokyo in de prefectuur Saitama. Stad in de betekenis van drukbevolkt (1,372.22 personen per km²), maar in geografisch en structureel opzicht toch eerder een wonderlijke aaneenschakeling van dorpen en buurtschappen, onderbroken door rijstveldjes, de Kan-Etsu snelweg en de enorme benette vogelkooien waarin de golvende Japanner zijn ballen slaat, zijn swing oefent en zijn werk even ontvluchten kan.

Higashimatsuyama heeft geen – althans voor mij - aanwijsbaar centrum en winkels liggen relatief ver van elkaar vandaan. Japanners vinden al snel dat iets “ver” is en pakken graag de auto. Nu eens om naar de “Gyoza-winkel-met-de-meest-beroemde-dumplings-in-Japan” te gaan, dan weer naar de stomerij . (Aangezien de vrouw des huizes de was zoals zoveel Japanse vrouwen met koud water in de wasmachine doet, brengt manlief voor de zekerheid zijn bedrijfskleding naar de externe expert. Na een jaar meen ik te kunnen stellen de stad op mijn duimpje te kennen, weet ook ik waar de Katsuya zit, de betere Izakaya en waar een beste banketbakker (“depuis 2006”) zich ophoudt. Als bijrijder oefen ik het stratenplan in mijn hoofd en geef ik ongevraagd aanwijzingen: hier links, daar rechtsaf. Ik ben een Higashimatsuyama-kenner. Een routinier (ook “depuis 2006”).

Op een van mijn mini-reisjes door Higashimatsuyama trof me echter toch nog iets nieuws! Plots viel mij op dat elke straat gelijkvloers is aan de stoep en dat ook deze zonder markering overgaat in de “tuin” tot aan de voordeur. Alles is van beton. De aarde is overal goed verstopt en men zou met gemak de auto strak tot aan de voordeuren kunnen rijden. Álles is van beton. Het romantische beeld van Japanse tuinen met geschoren en geknipte Azalea en dergelijke is inderdaad voornamelijk een romantisch beeld. Daar heeft de doorsnee Japanner werkelijk de tijd niet voor en bovendien is de grond schreeuwend duur. Ook op het relatieve platteland waar ik veel en vaak (bij-)rijd.

Dit betonnen landschap aanschouwende “welde” de vraag als vanzelf op: wat gebeurt er als het – bijvoorbeeld overdadig – regent? Waar in ’s hemelsnaam blijft het hemelwater? Er was immers geen grond om in weg te zakken. Mijn chauffeur wees me aan weerszijden van de weg op de lange stroken betonnen tegels met gleuven er in. Daar had ík op dat moment dus graag in weg willen zakken. Natuurlijk was er een riolering, alleen was deze zo perfect weggewerkt dat deze mij nooit eerder was opgevallen alle autoritten ten spijt.

Het systeem in kwestie bestaat uit een betonnen verdiepte goot aan weerszijden van de weg waaroverheen betonnen tegels met gleuven zijn gelegd. Hemelwater kan op elke plek de goot bereiken en is niet zoals in Nederland aangewezen op een metalen putdeksel om de twintig meter. Kom maar op met die regen! Het systeem is eenvoudig te onderhouden, de tegels worden desgewenst opgelicht en ongerechtigheden kunnen opgeschept worden. Het gaat hier bovendien om ‘dagbouw’ en niet om ‘mijnbouw’. Men hoeft niet af te dalen onder de grond, er hoeven geen robotcamera’s op wieltjes door de derrie geleid te worden.

Waarom nu zo? Japanse straten waren er steevast eerder dan de auto’s en stammen nog uit de tijd dat minder mensen nog niet alles zo “ver” vonden. Voor voeten, fietsen en karren voldeden deze wegen prima, maar op enig moment – toen alles “ver” werd - werden ze te smal. Vaak kunnen auto’s elkaar niet tegelijk passeren en dient men even op de beurt te wachten. (Daijobu, no problem). Door de goten te beleggen met afdekkingen op de hoogte van de weg zelf werd de weg een stuk breder. En wie de denkbeeldige stoep en de denkbeeldige tuin ook er bij neemt kan zelfs riant rijden, dacht de Hollander. Zulks is dus geen Japanse gedachte, men blijft natuurlijk tussen de twee goten. Op de beurt wachten is hier een groot goed.

Dit alles gebeurde in een flits. Floep. Aangezien mijn stomerijklant aan het stuur enigszins verbaasd was dat ik de goten niet opgemerkt had en dit grijnzend duidelijk maakte besloot ik er maar geen foto van te maken. De schaamtecultuur heb ik na een jaar Japan ook geïnternaliseerd. Ik kan dit verhaal dan ook alleen illustreren aan de hand van mijn tekst en mogelijk ondersteunen met wat afbeeldingen van het internet.

Welaan, dat internet viel nog niet mee. Er zijn zo snel niet veel afbeeldingen te vinden van wat ik bedoel te tonen. Blijkbaar vindt de japanner de voorziening te gewoon of is de schaarse toerist nog niet zo ver gekomen in opmerkzaamheid als ik. Het kan ook zijn dat eenieder van buiten Japan het zelfde embarassement doorgemaakt heeft en zich ook schaamt. Dat kan ook.

Gezocht werd door mij op onder meer Japan+hemelwater Japan+goot Japan+riool en zo voorts. Nadat dit in de Nederlandse google niet het gewenste resultaat opleverde stelde de zoekmachine me voor om ook andere sites onder de loep te nemen, “Ret’s twry!”, dacht ik. Vertalen maar, vriend google. Dit leverde belangwekkende zaken op. Ik wil u deze vertaling van een forumbijdrage niet onthouden:

E: Regen kettingen voor de rest van ons
Hi Terry
Rain-keten is een ding. Aftappen van water uit het dak is een andere.
Plese vergeet niet regenwater moet naar wat waar. Heb je enig idee hoe om water uit het dak?
Het maken van / Het maken van regen ketting is 10 ~ 20% van de gehele werk. takeing zorg water 80% van het werk.
Voordat je springt, denken. :):) :)
Herb:
U bent altijd probeert om anderen te helpen. Ik ben blij dat je met pensioen zijn en tijd hebben voor anderen. Zonder dat u vele volkeren zinken in occian befor te bereiken naar de andere kant van het land. als ik met pensioen zal ik doen hetzelfde als je nu doet.
Mike


Nog steeds niet de juiste treffer, maar wel interessante kost, aangezien het mij duidelijk maakt dat mijn Japans in het begin van het jaar ongeveer zo over moet zijn gekomen op mijn inmiddels familie en vrienden.
Fraai ook omdat ook het omgekeerde het geval is, menig Japanner dénkt dat hij of zij Engels spreekt..
In veel gevallen is - Oh Joy! – de zoekservice nog niet in staat om naar behoren van en naar te vertalen. Er ontstaat wel communicatie, we begrijpen best wat wordt bedoeld, maar er is zeker en vast nog een toekomst voor van en naar vertalers.

Beter zoeken op Japan+drainage, Japan+trench, Japan+ditch. Dit leverde betere treffers op. In nagenoeg alle gevallen kom ik met mijn zoektermen uit bij Alibaba.com. Ofschoon ik meende dat deze over specifieke expertise beschikte aangaande grotonderzoek, blijkt deze nazaat(?) zich te specialiseren in de bedoelde goottechniek. Een aanrader derhalve.





dinsdag 24 januari 2012

Tokyo Tree Design

Ondanks de mogelijk misleidende titel vandaag even niet de focus op de bekendste Tokyo Tree, deze gaat pas formeel open in mei 2012. Mijn belangstelling gaat eerder uit naar deze echte tree. En met name naar het staketsel er om heen.

Deze boom staat voor de Nitenmon poort, op zich al een bezienswaardigheid want de oudste toegang tot de Senso-ji in Asakusa. Nu de herfst ook in Japan voorbij vliedt, is het blijkbaar tijd om de boom winterklaar te maken. Onzin om jaren van knippen en vormsnoei op te offeren aan een nachtvorst of sneeuw. Zodra het echt gaat vriezen, wordt om de hoepelrok een deken gewikkeld. De draad- en bamboeconstructie ondersteunt tevens de takken wanneer deze te zwaar zouden worden door sneeuwval.





Geniaal. Japans. Subtiel, sober, kunstzinnig ook. En wat een geduld, wat een vakmanschap. Kom daar bij ons maar eens om.

En vooruit, hier is ook de andere Tokyo-tree:

maandag 23 januari 2012

Over straatnamen en huisnummers? Die zijn er niet!

Tijdens de kerstvakantie kwam de rest van het gezin over naar Japan. Een welkome gezinshereniging, want na tien maanden werd het hoog tijd om elkaar ook live te spreken, voelen en ruiken. De webcam is weliswaar een goede vervanger, maar er gaat niets boven werkelijk contact.

Op de agenda stond uiteraard de bezichting van mijn dormitory. Hoe leeft-ie, waar slaapt-ie? De dorm waar ik verblijf bevindt zich in Waseda, een wijk in het midden van Tokyo. Vanuit ons gezamenlijk logeerverblijf in Higashimatsuyama, twee treinuren ten Noord-Oosten van de hoofdstad namen we de Fukutoshin lijn, die vanaf Wakōshi onder de grond duikt.

Nadat we in Waseda boven de grond kwamen - de metro gaat in Tokyo vier lagen diep - voerde ik de familie mee door de mij inmiddels welbekende wirwar aan straten en steegjes. Na 10 minuten koersen door het labyrint hield ik stil voor de voordeur. De rest liep stug door want had nog niet in de gaten dat we reeds op de plaats van bestemming gearriveerd waren. Ofschoon eenieder de foto van mijn dorm-ingang reeds lang ingeprent heeft - lang van elkaar gescheiden zijn, doet dat met je - bleek de werkelijkheid toch anders, Google Maps werkt met fisheye camera's die meer afstand tot het pand suggereren en een kijkhoek creëren die we zelf niet of nauwelijks kunnen realiseren. Men was verbaasd en verrast: "Hoe heb je de eerste keer in vredesnaam je huis kunnen vinden? Immers, er zijn nergens straatnamen en huisnummers te zien!"

En dat is inderdaad zo, ofschoon elke straat vergeven is van kanji en kana, betreft het hier nooit straatnamen en huisnummers; die zijn er niet. Wie zich in het Japans durft uit te drukken, doet er goed aan om de weg te vragen. De familie was trots. En nog meer verrast. Hoe kan het dat een modern land als Japan nooit op de ons zo bekende manier bewegwijzerd is?

In tegenstelling tot onze stratennamen en huizennummering is Tokyo opgedeeld in wijken waarbinnen zich blokken bevinden. De kleinste eenheid is een blok. De enige die precies weet waar iemand woont is de lokale postbode. Deze is dan ook goud waard. Daarnaast weet overigens elke bewoner in het blok ook exact wie waar woont. Een vragend mens is te helpen.

Japan is niet bepaald een achtergebleven land. In technologisch, organisatorisch en logistiek opzicht zijn het onbetwiste kampioenen. Wat zou dan de reden kunnen zijn voor het niet hanteren van deze zichtbare aanduidingen op staat? Hieronder wat overpeinzingen.

De Japanse aanduidingen voor buurten en wijken hebben veelal een geografisch-historische connotatie, Akihabara is bijvoorbeeld het veld van de herfstbladeren. In Nederland doen we dit ook, maar bovendien eren wij ook graag personen door een straat naar hen te vernoemen. Van de Keesomlaan in Den Burg gaat ons hart sneller kloppen, Japanners zijn dit niet gewoon. Er zijn dus in elk geval te weinig straatnamen voorhanden. Een hele categorie valt af.

Japanners steken vooral functioneel in: vergelijk het met Meijveld 1099. Een experiment dat in nieuwbouwwijken in de zeventiger jaren even werd gehanteerd: Tiende straat nummer 99. Fantasieloos in onze ogen, maar een kolfje naar de functionele hand van de Japanner. Blijft echter toch het feit dat wij de weg naar 10-99 uitstekend beplaten aan de lantaarnpalen of op de hoekgevels van huizen, terwijl men dit in Japan niet doet.

De gemiddelde Japanner verlaat zijn blok niet vaak, buiten het forenzen naar het werk om. Het leven speelt zich grotendeels in het blok af. Er wordt gewoond, gewerkt en gefeest tijdens de buurtfeesten. Deze feesten (matsuri) werden door de overheid aanbevolen om het buurtgevoel te versterken en worden ook nu nog aangemoedigd en gefaciliteerd. Het "wij in de buurt"-gevoel is nog steeds belangrijk. Japan werkt volgens het uchi (in-group) soto (out-group) systeem, waarbij de uchi een buurt vormt, waar andere buurten niet bij horen. Met andere woorden, je wordt geboren in een bepaald blok en hebt dan contact met de mensen die in het blok wonen, over het algemeen je buren. Deze geslotenheid heeft als voordeel dat men elkaar kent in de buurt en bij problemen eensgezind kan optreden. Hoewel dergelijke buurtgenootschappen tegenwoordig ook in Japan tanende zijn, is het een fijn idee om te weten dat je een beroep kunt doen op je buurtgenoten als je bijvoorbeeld ziek bent, als er brand is of de lokale aardbeving wat heviger is.

Familie die soms ver weg woont, kan door de overvolle werkdagen die de gemiddelde Japanner heeft niet frequent worden bezocht. Er worden brieven verstuurd die de post feilloos en trefzeker afhandelt en er wordt met name veel gebeld. Telefoonnummers zijn dan ook veel belangrijker dan straatnamen en huisnummers.

Andere blokken worden dus door niet-blokbewoners nauwelijks aangedaan. Er is domweg geen noodzaak. Derhalve zou een overkoepelend adressen- en stratennamen systeem als het onze, louter de verdwaalde toerist een handvat bieden. Omdat wij als westerlingen gewend zijn om een stad in ons eentje te verkennen, werkt het exact aanduiden van straten en huizen inderdaad voor ons erg goed. Echter, de Japanner gaat zelden alleen op stap en zal de wijkagent om de weg kunnen vragen. Het zou een onnodige en dure investering zijn.

Vrienden, zoals we die in Nederland kennen, relaties die we aangaan, en met name zelf uitzoeken op basis van gemeenschappelijke hobby's, of een gedeeld verleden, zijn in Japan niet zo belangrijk. Japanners zijn wel vriendelijk, maar relaties worden niet zozeer aangeknoopt vanuit de eigen keuze danwel door het lot bepaald: de buren worden de "vrienden". Misschien heeft het gezegde "Beter een goede buur dan een verre vriend" wel Japanse wortels.

Zo pas ook ik me aan: mijn vrienden in Japan zijn door het lot bepaald. Een toevallige bonte verzameling internationale studenten op een woongang, een paar dozijn toevallige Japanse deelnemers aan de Waseda International Club, een toevallige mevrouw Nakamura als huisbaas.
Mijn vrienden zijn mijn buren.
Het lot is mij gunstig gezind,
het zijn fijne vrienden!

zondag 11 december 2011

Kerstsfeer

In de rommelwinkel aan de overkant, waar ik mijn boodschappen elke dag doe, is het al sedert oktober kerstmis aan het worden. Al enkele maanden klinkt de kerstmuziek door de zaak, waarbij Amerikaanse bestsellers (Mariah Carey cs) afgewisseld worden met een eindeloze schare van Japanse beroemdheden die allen hun eigen versie van Jinglebells ten gehore brengen.

Gisteren werd ook het kerstassortiment in de schappen uitgebreid met een aantal kerstattributen die de kerstsfeer nog vrolijker zouden kunnen maken. In het minst feministische land op aarde is blijkbaar een markt voor dit soort gezelligheden. Voor de prijs hoeft u het niet te laten, voor omgerekend 30 euro is het feest waarlijk compleet.

dinsdag 29 november 2011

Beleefd verzoek



De tekst op de bijgevoegde afbeelding luidt, vrij vertaald:
Aan de edelachtbare katten en honden.
Het gras, de planten en bomen en de bloemen huilen.
Hou er alsjeblieft mee op om hier nog rond te lopen
getekend:de bewonersorganisatie van Ikebukuro

Zo'n beleefd geformuleerd verzoek ondersteun ik van harte en verdient het dan ook om onder de aandacht gebracht te worden van een veel breder publiek.

zaterdag 26 november 2011

The Dorm goes Kamakura

Beste lezers. De temperaturen dalen en de bladeren aan de bomen kleuren langzaam maar zeker rood. Kortom, de Japanse herfst is in gang gezet. Hoewel de bomen in de omgeving van Tokyo pas tegen het einde van november of zelfs begin december hun mooiste kleuren ten toon spreiden, besloten we afgelopen woensdag om er met een paar dormgenoten op uit te trekken. De reis zou leiden naar Kamakura, een historisch stadje dat ongeveer 50 kilometer ten zuidwesten van Tokyo ligt. Van de twaalfde tot de veertiende eeuw huisde hier het Shogunaat, de militaire regering van Japan, waardoor het toentertijd de de facto hoofdstad van Japan was. Veel van de tempels en historische gebouwen aldaar stammen uit die tijd. Bovendien bevindt zich nabij Kamakura één van de grootste Boeddhabeelden van Japan, de zogenaamde Dai-Butsu (grote Boeddha). Tel daarbij op dat Kamakura omgeven is door bergen en aan zee ligt en u begrijpt waarom wij daar wel eens een kijkje wilden nemen!



Op woensdagmorgen omstreeks 9 uur zouden de reizigers zich in de hal van de dormitory verzamelen. Het genootschap bestond uit dormbewoners van verschillende nationaliteiten, waaronder een Canadees een Amerikaan, Italianen en Taiwanezen. Na enig oponthoud door wekkers die niet waren afgegaan, trokken we om half tien de deur achter ons dicht en togen we naar het Takadanobaba station. Vanaf het Takadanobaba station namen we de trein naar Shinjuku, alwaar we overstapten op de trein die ons naar Kamakura zou brengen. De reis liep voorspoedig, en we hadden geluk met het weer. Het was een zonovergoten dag en de temperatuur was met 15 graden buitengewoon zacht voor de tijd van het jaar. De spoorlijn liep op een gegeven moment rakelings langs de Stille Oceaan, waardoor we getrakteerd werden op een adembenemend uitzicht, compleet met Japanse visserscheepjes.

Aangekomen op het hoofdstation van Kamakura bleek dat het plaatsje zich niet aan de invloed van de moderne tijd had kunnen onttrekken, reeds in het station was het struikelen geblazen over de souvernir winkeltjes en stalletjes. Zoals in elke toeristische plaats van enige naam in Japan, was het erg druk. Deze drukte werd ook veroorzaakt door het feit dat deze woensdag de dag van de arbeid gevierd werd, en heel Japan vrij was. Daardoor hadden velen met ons de gelegenheid te baat genomen om er eens lekker uit te gaan in Kamakura. Nu vraagt de lezer zich wellicht af of het dan wel zo verstandig is om naar een plek af te reizen waarvan men op voorhand weet dat het er zwart zal zien van de mensen. Nu, na zelf ruim een half jaar in het hart van Tokyo te hebben gewoond, kan ik beamen dat de volgepakte winkelstraatjes van Kamakura toch van een geheel andere orde zijn dan de Tokyose bebouwing en verbazingwekkend hoge aantallen mensen die in de Japanse hoofdstad op een kluitje wonen. Bovendien is het hier niet, zoals in sommige andere landen, duwen en trekken geblazen. Nee, de Japanner die nog opgevoed is met de wijsheid dat geduld een schone zaak is staat keurig netjes in de rij voor winkels en eetgelegenheden. Hierdoor beweegt de mensenfile een stuk sneller voort dan wanneer iemand plots de andere kant op moet omdat hij of zij toch in dat winkeltje vol snuisterijen aan het begin van de straat had willen kijken.

Omdat we rond lunchtijd aankwamen, namen we eerst een goede lunch tot ons, alvorens we aan het winkelen zouden slaan. De groep werd hierbij in tweeën gesplitst, de gegadigden voor soba (een Japanse noedel gemaakt van boekweit) en degenen die liever wat Okonomiyaki (Japanse pannenkoek) wilden nuttigen. Omdat één van de Italiaanse meisjes een goede Okonomiyaki-zaak bleek te kennen, besloot ik met haar mee te gaan en de proef op de som te nemen. Hoewel ik zoëven meer voelde voor het nuttigen van soba in verband met het de lagere voedingswaarde daarvan, deed de Okonomiyaki mij dat goede voornemen snel vergeten. De keuze was gevallen op een mix van kimchi (gefermenteerde Koreaanse kool) en rundvlees, gemend met een keur aan Japanse groenten. We mochten de Okonomiyaki zelf bereiden, volgens de zogenaamde teppan-yaki methode. Dit houdt in dat de ingrediënten worden aangeleverd in een kom, waarna men ze met kookstokjes mengt en op de grilplaat (de teppan) uitspreidt. Daarna moet de inhoud op cirkelvormige wijze op de plaat worden uitgespreid en net als de ons bekende groentepannekoeken een aantal keer worden omgegraaid alvorens ze opgegeten kunnen worden. Tot slot wordt de pannekoek bedekt met een laagje Okonomiyaki saus en is het toegestaan om rijkelijk gebruik te maken van de mayonaisefles.

Na het middagmaal bedacht de helft van ons dat het toch wellicht beter was om eerst de tempels te gaan zien. De winkelgroep achterlatende besloot ik mij aan te sluiten bij de tempelexpeditie. Het eerste heiligdom op de route was de Hachimangu tempel. Deze tempel vormt het middelpunt van de stad Kamakura en is gewijd aan één van de militaire leiders uit de Kamakura periode, de Shogun Minamoto no Yoritomo. Toen we bij de Hachinmangu aankwamen hadden we het geluk dat er net een huwelijksceremonie werd voltrokken. Hoewel de Japanners tegenwoordig de westerse huwelijksceremonie, compleet met priester en westerse kleding vaak uitvoeren, was hier sprake van een traditioneel Japanse ceremonie. Muziek uit vervlogen tijden werd uitgevoerd en de priesters, bruid en bruidegom waren uitgedost in kimono. Hoewel de ceremonie op zich voor zover wij het konden beoordelen op de traditionele wijze werd uitgevoerd, was het een vreemde gewaarwording om de gasten in westerse kleding te zien zitten in een tempelgebouw uit de elfde eeuw. Ook werd het geheel door een filmploeg op de camera vastgelegd. Hierdoor scheen het mij toe alsof deze ceremonie niet alleen voor de de westerse toerist uit een andere tijd stamt maar ook voor de Japanners zelf tot een andere wereld behoort. Het was kortom alsof de het oog van de camera symbool stond voor het hedendaagse Japan dat zichzelf in toenemende mate vervreemd ziet raken van de eigen tradities.









Nadat we de Hachimangu hadden bezichtigd, vertrokken we naar het station om daar de trein te nemen naar de Dai Butsu. Echter, onderweg kwamen we langs een tempelcomplex dat we aanvankelijk niet op de kaart hadden aangetroffen. Het ongeverfde, door de tand des tijds verweerde hout van deze zogenaamde Kencho tempel contrastreerde zeer met de felrood geverfde Hachimangu. Naar later bleek is deze Kencho tempel onderdeel van de Zen school in het Japanse Boeddhisme, een vorm die bij uitstek de nadruk legt op eenvoud en introspectie. Met name één van de tempel hallen waar een Boeddha was opgesteld met daarvoor een beeld van de Boeddha hoe hij er aan toe was toen hij bijkans stierf door het vasten was erg indrukwekkend. Deze onverwachte onderbreking van het normale programma nam ons zo zeer in beslag dat we de tijd vergaten, totdat één van de Italianen ons er aan herinnerde dat de Dai Butsu maar tot half zes te bezichtigen is. Met stevige pas liepen we door naar het centraal station van Kamakura, alwaar we op de trein sprongen naar de Grote Boeddha.

Toen we bij de Boeddha aankwamen, hadden we nog exact een half uur om het standbeeld te bezichtigen. Hoewel de nacht al gevallen was, verlichte men het beeld met een aantal lampen, waardoor de Boeddha nog indrukwekkender leek dan bij daglicht. De Buddha van Kamakura is maar liefst 15 meter hoog en volledig uit brons opgetrokken dat door de tijd is verweerd. Dientengevolge glansde de Dai Butsu ons tegemoet en de flauwe glimlach om zijn lippen leek wel te bewegen. Het leek wel alsof hij ons een goede reis naar huis wilde wensen, en met deze gedachte in het achterhoofd togen we tevreden huiswaarts.

donderdag 27 oktober 2011

Zomaar een werkdag

Beste lezers. Na mijn voorgaande blogs over de Japanse maatschappij en de uitstapjes die ik hier zoal maak, vraagt u zich wellicht af hoe een doorsnee dag in Japan er uit ziet. Het is immers niet enkel tempels bezoeken en kersenbloesem kijken wat mij hier bracht, maar met name het leren van de Japanse taal en onderzoek doen voor de afstudeerscriptie. In de tussentijd heb ik ook nog een bijbaantje gevonden bij een Japans bedrijf, dus hierbij een verslag van een donderdag in Tokyo.

Net als in Nederland hebben de ouderejaars studenten vaak geluk met hun colleges, zodat ik niet iedere dag om 9:00u op de universiteit hoef te zijn. Vandaag was dat echter wel het geval, dus ging de wekker al om 7:30u. Natuurlijk is dit nog steeds een tijd om op te staan waar de meeste mensen jaloers op zijn, dus met deze gedachte in het achterhoofd hees ik me uit bed en verjoeg ik de dichte mist in mijn hoofd met een flinke kop nescafé. Hoewel ik me in het land van de groene thee bevind, gaat er nog steeds niets boven de ochtendkop koffie!

Vanochtend stonden twee lesuren Integrated Japanese op het programma. Deze lessen houden een mix tussen grammatica, begrijpend lezen, opstellen schrijven en spreekvaardigheid in. We lezen teksten uit een boek die daadwerkelijk in een krant of tijdschrift zijn gepubliceerd en leren om opstellen te schrijven volgens de Japanse manier, die nogal van onze westerse opbouw verschilt. Waar een westers essay in de regel de indeling inleiding, middenstuk en conclusie aanhoudt, is deze indeling in het Japans veel minder duidelijk. Delen lopen vloeiend in elkaar over en houden vaker een observerende stijl aan in plaats van het poneren van een stelling en het beantwoorden daarvan in de conclusie. Ook is logica soms ver te zoeken, de essays lijken meer op gevoel te worden geschreven en hoeven niet persé zo zakelijk mogelijk te worden geschreven. Het levert naast de nodige hoofdbrekens ook veel plezier op en ook vanochtend werd er lustig op los gepuzzeld.

Na de les van vanochtend was het tijd voor de middagpauze en ontmoette ik mijn Chinese vriend Li Mo. Toen ik hier begin dit jaar aankwam ontmoette ik hem bij de Waseda International Club, de internationale circle waar ik lid van ben. Li Mo studeert ook Japanse literatuur en had zijn vriend Nick uit Hong Kong meegenomen naar de eetzaal.
De eetzaal van Waseda is een typisch voorbeeld van de eetgelegenheden op een Japanse universiteit. Anders dan bij ons wordt er voor het eten een zeer schappelijke prijs gevraagd (400-500 yen, hetgeen omgerekend 4-5 euro is) voor een middagmaal waar je tot aan het avondeten op kunt teren. Vandaag had ik gefrituurde kip met witte rijst en tofu, maar ik had evengoed kunnen kiezen voor een heerlijke katsudon (schnitzel) of de volgens het menu zeer roemruchte stamina pilaf. Ook eigen aan Japan, maar ons geheel vreemd, is de gewoonte dat onbeperkt vullen van je beker met nieuwe water of thee bij de prijs inbegrepen is. In tegenstelling tot Nederland vult men hier niet tot op het genante af de beker ' omdat het toch gratis is' , maar houdt men het keurig netjes bij een of twee refills.

Na dit middagmaal met Li Mo en zijn vriend moest ik me naar het metrostation van Waseda om naar Takadanobaba te reizen. Daar nam ik de Yamanote-sen naar mijn werk in Ebisu. Deze dienst is het toppunt van Japanse efficiëntie. Iedere twee minuten komt een trein, waarna de deurtjes gedurende ongeveer een halve minuut openen. Zonder morren laten de mensen op het perron (die keurig in de rij staan, jawel het is echt mogelijk!) de mensen uit de trein stappen, waarna men geruisloos de trein in golft. Ook bij grote drukte gaat dit relatief soepel, zonder te morren laten mensen zich als haringen in een ton samen persen.

Eenmaal aangekomen op Ebisu dein ik mee op de grote menige salarymen die door poortjes het station uitstroomt. De salaryman is het Japanse equivalent van de Nederlandse kantoorman, al kan de eerste term beter als kantoorslaaf worden vertaald. De salaryman zit van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat op zijn kantoor. Zo ook de medewerkers van OKwave, het internetbedrijfje waar ik een bijbaantje heb. Ik beheer er de Nederlandse versie van de vraag en antwoord dienst Arigato en doe dit door via Facebook en twitter de service te promoten.
Nu ik er een paar weken werk heb ik wat meer inzicht gekregen in de Japanse manier van werken. Alle vaste krachten om mij heen zitten met een stoïcijns gezicht aan hun computer te werken en veinzen dat ze volop aan het werk zijn. In werkelijkheid valt dat wel mee, aangezien er regelmatig met de naburige collega op gedempte toon een babbeltje wordt gemaakt of er iemand anders langskomt met de vraag of er even een klusje tussendoor gegereld kan worden Uiteraard gebeurd dat in Nederlandse bedrijven ook, maar het was op zijn minst vermakelijk om de collega's aan de tafel achter mij vol geduld posters met motiverende teksten te zien maken. Het leek meer op de knutselclub dan op een volwaardig bedrijf. Echter, dergelijke kneuterigheid maakt het werken dan wel weer wat dragelijker en het 'otsukaresama' (goed gewerkt!) dat weerklonk toen ik het pand verliet maakte de dag meer dan goed.

Thuis aangekomen was het tijd om een opstel voor volgende week te corrigeren, en toen zat de dag er al weer op! Ik verlaat jullie om zo zoetjesaan mijn nest op te zoeken, maar verwacht binnenkort weer een nieuwe blog!