dinsdag 10 augustus 2010

Sociaal boetseren, daijobu, no problem!

Hoe wordt in het Japanse schoolsysteem het sociale element van de persoonlijke ontwikkeling van kinderen bijgebracht? Het begrip sociaal heeft betrekking op de relatie die je hebt met anderen, het boetseren hechten wij er aan omdat de sturing van de ontwikkeling ten opzichte van de Nederlandse setting zo duidelijk merkbaar is. Er wordt op de Japanse school niet zo veel aan het toeval over gelaten als het gaat om het verwerven van sociale talenten.

Tom en ik zijn in de afgelopen jaren vaker in de gelegenheid geweest om in Japan scholen te bezoeken en hebben vorige zomer zelfs tot tweemaal toe "gastlessen" Engels verzorgd aan kleuters. Dolle boel! Maar ook de verhalen en foto's van onze Japanse vriendinnen op juniorhighschool en later highschool dragen nog steeds regelmatig bij aan de onderstaande waarnemingen over het Japanse schoolsysteem. Het werd voorwaar tijd om er eens een lijn in te ontdekken en het Japanse schoolgaan te vergelijken met de door ons genoten schooltijd in Nederland.



’s Morgens vroeg zien we overal trosjes schoolkinderen van verschillende grootte en leeftijd gezamenlijk over straat gaan, in ganzenpas over de stoep of langs de daartoe gemarkeerde rand van de weg. De visueel duidelijk bij elkaar horende kinderen zijn gekleed in hetzelfde uniform, hebben dezelfde kawai petjes op, en hebben allen een grote identieke schooltas op de rug.
Japanse kleuters worden weliswaar de eerste paar keer door hun ouders – lees: moeder – naar school gebracht, al snel echter sluit het kind zich aan bij oudere broertjes of zusjes of straatgenootjes die in colonne de loopafstand tussen thuis en school overbruggen. De oudere kinderen hebben en nemen de verantwoordelijkheid om voor de jongeren te zorgen. Moeder moet voor het eerst loslaten. Moeder wil eigenlijk wel langer met haar kind blijven meelopen, zo’n eind is het niet, maar het is “not done”. Haar kind moet immers deel gaan uitmaken van een nieuwe uchi, een nieuw sociaal netwerk, naast de vertrouwde uchi van het eigen gezin. Japanners redeneren dat het snel ingroeien in de nieuwe groep het beste en snelste slaagt wanneer moeder daar niet bij is.

Bij aankomst op het schoolplein staat steevast een delegatie van het docententeam of tenminste de bovenmeester de kinderen op te wachten, er wordt over en weer goede morgen gewenst. De kinderen betreden de school, verwisselen de schoenen voor binnensloffen en bergen de schoenen op in het eigen plaatsje van het schoenenrek. De tocht wordt vervolgd naar de klas, waar de schooltas achterin de klas in een rek wordt gedeponeerd. De tas bevat schoolboeken en etenswaren om de volledige schooldag door te kunnen komen. Kinderen blijven over en gaan dus niet tussen de middag naar huis. Na school vinden overigens ook nog tal van activiteiten plaats op het gebied van sport, spel en muziek en andere vormen van nuttige recreatie. Ook deze activiteiten vinden plaats op het schoolcomplex. De groepsdocenten treden veel al ook op als sportleraar of muziekdocent.
Het goedemorgen wensen is belangrijk. Niet alleen ben je werkelijk van harte welkom en wordt het voor beide wensers hopelijk inderdaad een goede ochtend , dit ritueel is minstens even belangrijk om het leren van respect voor ouderen vorm te geven. Goede morgen gaat hier met een buiging gepaard. De kinderen buigen iets dieper, de docent nijgt minzaam. Senioriteit wordt geëerd. Formeel vormgegeven maar niettemin welgemeend hartelijk.

Het maatjesdenken is belangrijk op Japanse scholen. Zoals de ouderen de jongeren over straat helpen, zo zijn deze combinaties ook de gehele dag waarneembaar. In sommige schoolse zaken zijn kinderen vast aan elkaar gekoppeld, in andere gevallen zijn de tweetallen losser gevormd. Bij sport is sprake van een “meester-gezel”-relatie. Ouderejaars helpen jongeren in een tutor-rol vooruit met rekenen en taal. Daarmee heeft de ene vaste docent per groep het inderdaad gemakkelijker , maar bovendien worden sociale vaardigheden tussen leerlingen op deze manier bewust ingeslepen.

Je dient je bewust te zijn van de ander: dient je te kunnen verplaatsen in het perspectief van de ander, en moet leren begrijpen wat de invloed is die je hebt op het gedrag van anderen. Sociale vaardigheden als kunnen luisteren, een ruzie kunnen oplossen en kunnen samenwerken, worden hier in de tweetalrelaties gekweekt en gekoesterd. Daarnaast is het kind ook deel van de gehele groep. En ook binnen de groep worden sociale relaties en vaardigheden getraind. Samen zingen is plezierig, samen Kanji dreunen is plezierig, samen de tafels opzeggen is plezierig.
Daijobu, no problem.

Tot de taken op school hoort bewust ook het uitvoeren van corvee. Kinderen maken de school schoon tussen de middag, er zijn groepjes kinderen blij met bezems in de weer in de sportzaal en de dojo. Dood blad wordt uit het zwembad op het dak van de school gedregd. De aula wordt gedweild. De school wordt door kinderen versierd volgens het ritme van de seizoenen, de matsuri en de schooleigen activiteiten. Versieren is leuk werk net als in Nederland. In Japan hoort gezamenlijk opruimen er echter ook weer gewoon bij. Kom daar maar eens om in Nederland.

Ook het uitdelen van de middagmaaltijd die van schoolwege verstrekt wordt is een taak van steeds wisselende groepjes kinderen met koksmuts en serveer-outfit.
Wat daarbij opvalt: iedereen krijgt precies evenveel en er wordt rustig gewacht met de start van het eten tot dat ook de laatste uit de rij voorzien is en de ketels met rijst, vis en groenten met deksel zijn toegedekt. De koks zetten de muts af, worden weer kinderen en de obers eten in hun eigen restaurant mee aan tafel.

Op de middelbare school kun je jezelf aanmelden voor het leren bespelen van een muziekinstrument. De lessen vinden op school plaats en de instrumenten worden van school geleend. Het is echter wel vaak zo dat je niet het instrument van je eigen voorkeur gaat spelen, maar het instrument dat nog nodig is in het schoolorkest. Dat zou in Nederland ondenkbaar zijn, in Japan echter is de groep belangrijker de het individu. Blijmoedig wordt de tuba of de fagot omarmd terwijl de voorkeur eigenlijk naar de klarinet ging. Daijobu, no problem.

Naast complete symfonieorkesten zijn er ook bijvoorbeeld guitarcrubs, waar tientallen leerlingen klassiek gitaar leren spelen. De prestaties van de orkesten zijn verbluffend hoog, er worden met regelmaat professionele uitvoeringen aan de ouders aangeboden. Ze hebben dus ofwel allemaal talent, of er wordt uitputtend geoefend. Dat laatste is zeker het geval.
Ook de zaterdagochtend wordt benut. Hangplekken voor jongeren zijn niet nodig. Er is geen jongere los op straat te vinden, druk als ze zijn in school of op het schoolterrein met onder meer kendo (zwaardvechten), tafeltennis of musiceren. (Of op het schooldak met zwemmen).

Verschilt het bovenstaande nu onherkenbaar van de situatie waarin wij zelf zijn opgegroeid in Nederland? Zo op het oog is het allemaal te volgen. Natuurlijk ontbraken bij ons de uniformen en brachten onze moeder EN vader ons heel wat langer naar school. Het grootste verschil is echter gelegen in de bewuste sturing van gewenst gedrag. Waar bij ons minder aandacht is voor de groep ten gunste van de aandacht voor het individu, worden de regels voor de perfecte groepssfeer in de vorm van normen en waarden, respect en manieren, bewust gestuurd, De hele dag door. Alle activiteiten zijn gericht op de groepsvorming.

In Japan leert men sociaal Denken en sociaal Doen. Sociaal Durven zou in onze Nederlandse ogen de volgende logische stap zijn. Durven samenwerken, kritiek kunnen accepteren en hulp durven vragen worden op school niet expliciet aangeleerd. Het sociale durven vanuit een individueel zelfbewustzijn staat immers haaks op de importantie die aan de groep wordt toegekend.

In Nederland wordt het individu overgewaardeerd, sociaal durven wordt van harte gestimuleerd, sociaal denken en doen weliswaar aanbevolen en voorgeleefd maar niet gecontroleerd. In Japan is het andersom, daar is het sociaal boetseren de grootste vaardigheid van het schoolteam.

De waarheid ligt ongetwijfeld ergens in het midden.
Daijobu, no problem.



Zie ook: Teachers TV Japan: Teaching Respect and Manners


Zie ook: TJC Guitarclub at Aurora 2007


Zie ook: www.uchiyama.nl voor een beknopte uitleg van het Japans onderwijssysteem

zondag 8 augustus 2010

Lekker weg op eigen eiland

Een van de meest dominante stereotyperingen van de Japanners die in het westen overheerst, is ongetwijfeld de aanname dat men loyaler is aan het bedrijf dan aan het eigen gezin. Van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat, tot zelfs in het weekend doorwerken, niets zou de Japanner te dol zijn. Nu is het zo dat aanwezigheid op het werk niet persé betekent dat men ook productief is en heeft de Japanse overheid extra feestdagen ingelast die de schamele week vakantie aanvullen die een salaryman normaal gesproken ten deel valt. Feit is echter dat de Japanse werknemer zijn baas vaak beter kent dan zijn eigen vrouw. Om de spaarzame momenten waarop het gezin compleet is ten volle te benutten, onderneemt men een zeer intensief dagje uit. Eerder schreven we over vuurwerk en voetbal als excuus om de familiebanden aan te halen. Nu volgen enkele indrukken van O-Daiba, een vreemde mengeling tussen pretpark, winkelcentrum en strand.

Het kunstmatige eiland O-daiba werd in 1853 door het Tokugawa Shogunaat aangelegd om verdedigingswerken te herbergen tegen een dreigende Amerikaanse invasie. Hoewel het eiland in militair opzicht geen succes was, admiraal Perry en zijn vloot konden Japan toch dwingen om haar havens te openen, zou het vanaf de jaren '20 tot op heden uitgroeien als één van de meest populaire bestemmingen voor een dagje uit in Tokyo. O-daiba herbergt nu een park dat de bezoeker even de drukte van Tokyo doet vergeten en bezit tevens het enige strand van de stad. Ook heeft men een onsen aangelegd, waarvoor men diep onder Tokyo warmwaterbronnen heeft aangeboord en beschikt O-daiba over een indoor achtbaan. O-daiba wordt door de Rainbow bridge, een verdacht veel op de New Yorkse Brooklyn Bridge gelijkende brug, verbonden met het vasteland. Uiteraard figureert deze brug net als zijn Amerikaanse tegenhanger veelvuldig in reclames en films en wordt ze tegenwoordig gezien als een icoon van het kaliber Tokyo Tower. Naast de Rainbow Bridge is het eiland ook te bereiken met de Yurikakome monorail, welke een prachtig uitzicht biedt over de skyline van Tokyo. De lijn slingert zich behendig langs de vele verkeersknooppunten die soms wel drie snelwegen boven elkaar langs laten gaan en is een infrastructureel kunststukje.

Eenmaal op het eiland aangekomen valt op dat de aanwezige Japanners zich zonder uitzondering in zorgvuldig uitgekozen vrijetijdskleding hebben gestoken. Als je een dag vrij hebt moet dit ten volle uitgedragen worden. Een ongeschreven wet schijnt derhalve te bepalen dat alle vrouwen van strohoedjes zijn voorzien en alle mannen zich in een vakantiehemd en sportschoenen steken. Voorts bestaat er op O-daiba eindelijk de kans voor de zon aanbiddende Japanners om zich helemaal te laten gaan. Het Japanse schoonheidsideaal is namelijk om een zo wit mogelijke huid te hebben. De gedachte hierachter is dat mensen met een bruine huid als boer op het land gewerkt hebben, een beroep waar men zich liever niet mee associeert. Hoewel de whitening crèmes nog steeds gretig aftrek vinden heeft menig Japanner op O-Daiba er geen boodschap aan en er wordt dan ook gezond dat het een lieve lust is.
Voor degene die zich desondanks liever niet op enige bruining laat betrappen, hebben de projectontwikkelaars het winkelcentrum Aquacity uit de grond gestampt. De meest exclusieve westerse merken hebben hier een onderkomen gevonden, zodat de gefortuneerde Japanner aan zijn trekken kan komen zonder een reis naar Parijs te hoeven ondernemen.



Om de bezoeker van O-Daiba nog meer het idee te geven dat deze echt een dag op vakantie is, heeft men de mall naast Aqua city in een stijl opgetrokken die het midden houdt tussen een Italiaans piazza en een Franse boulevard. Dit paradijs voor koopverslaafde vrouwen is toepasselijk Venus Fort genoemd. Hoewel hier en daar een beteuterde echtgenoot meeloopt met zijn echtgenote die weer een nieuw paar schoenen nodig heeft, wordt dit fantasie-Europa vooral door alleenstaande, zeer vermogende dertigers bevolkt. Vrouwen met vijf of meer tassen vol designerkleding vormen geen uitzondering. Ze lijken het stereotype van de single dertiger die nog bij haar ouders woont en haar volledige salaris aan kleding spendeert te bevestigen. Deze zogenaamde parasite singles vervallen vaak tot zulk gedrag omdat zij een goede baan hebben, die ze op moeten geven zodra een echtgenoot gevonden is. Omdat het ideaalbeeld van fulltime-huisvrouw nog steeds alomtegenwoordig is, kiezen velen eieren voor hun geld. Gebrek aan een relatie lijkt wel te worden ondervangen door eindeloze strooptochten naar de laatste mode, zoals dat in Venus Fort gebeurt. Gewillig laat men zich van de ene designbril na de andere Franse designertas aanpraten. Ze laten zich bedwelmen door een spel, waarvan alleen het winkelpersoneel (dat een tas 50 procent afprijst naar een nog steeds respectabele 1000 euro) de consequenties helder voor ogen heeft.



Hoewel het Venus Fort de donkere zijde van het Japanse consumentengedrag toont, is er gelukkig ook vertier voor de hele familie aanwezig dat alleen maar in Japan bedacht kan worden. Zo bevinden zich de studio's van Fuji tv op O-Daiba en zijn deze toegankelijk gemaakt voor het publiek. Zoals overal ter wereld zijn Japanners gek op dramaseries, en de set van de laatste Fuji series kan dan ook worden bezocht. Een warm onthaal van uiterst beleefde medewerkers valt de bezoeker ten deel, en menigmaal laten ouders zich nog enthousiaster dan hun kinderen zich door de wondere wereld van Fuji-tv loodsen. Ook aan de allerkleinsten is gedacht. Omdat zij het ingewikkelde Japanse schrift nog niet meester zijn en aldus de informatieborden niet kunnen lezen, mogen zij een stempeltocht doen. Hierbij moet men Rafukun, de mascotte van Fuji-tv, op een bij de ingang uitgereikt papier stempelen. Deze blauwe hond heeft uiteindelijk zes kleuren nodig om zijn volledige gestalte aan te kunnen nemen, zodat de jeugd naar de zes verschillende stempels op zoek moet. Om de pret bij Fuji nog completer te maken, bevindt zich bij de ingang van het gebouw een Maneki Neko Duck stand. Naar verluidt is deze kruising tussen een Maneki Neko en een eend tot stand gekomen toen een poes pardoes van het dak van een tempel viel en bovenop een eend viel. Hoewel deze ontstaansgeschiedenis menig westerling de wenkbrauwen doet fronsen, gaan de Japanners onverstoorbaar met de Maneki Neko Duck op de foto en waant de salaryman zich weer even dat jongetje van weleer.

Bovenstaande impressies laten zien dat in Japan de scheidslijn tussen het perfecte en het waanzinnige uiterst delicaat is. De uitstekende infrastructuur naar O-Daiba, shopping malls waar alles te koop is wat de vermogende Japanner zich maar wenst en de geoliede entertainment-machine laten eens temeer zien dat Japan in hoeveelheid vermaak per vierkante meter in niemand zijn meerdere hoeft te erkennen. Men beschikt over het verbluffende vermogen om de knop om te zetten en de sleur van bedrijf, huishouden en school te verruilen voor een dag intens vertier. De vraag is echter of de tijd die men niet met het gezin kan doorbrengen wel zo makkelijk in een dag in te halen is. Hoewel de families op O-Daiba zich gedwee door het circuit van schattigheid laten stuwen, verraadt menig verveelde blik dat er meer aan de hand is dan met het kopen van spullen kan worden opgelost.

Het is in ieder geval te hopen dat men in de toekomst met een zelfde toewijding als waarmee O-Daiba is vormgegeven het Japanse gezinsleven kan verbeteren.

vrijdag 6 augustus 2010

Japans openbaar vervoer

Vorig jaar schreven we al over de punctualiteit van het openbaar vervoer in Japan. Uiteraard is in vergelijking met de gang van zaken op de Nederlandse Spoorwegen alles een verbetering, maar in Japan maakt men er een sport van precies op de aangegeven momenten aan te komen. Wat ook bijna altijd lukt: het personeel van Japan Railways doet in ieder geval haar uiterste best. Hoe dan ook, genoeg daarover: met op tijd rijdende treinen ben je namelijk slechts op de helft.

Medewerking van de reizigers is die andere broodnodige voorwaarde voor succes. Het is onmogelijk miljoenen forensen per dag te verwerken wanneer men met de Nederlandse mentaliteit in de Japanse spitstrein stapt. Zitten is er zelden bij daar de Japanse trein doorgaans enkel zitplaatsen langs beide zijkanten heeft: de rest van de reizigers heeft een handgreep tot zijn beschikking. Menig Japanner heeft van de nood een deugd weten te maken en doet een heerlijk dutje in staande positie.

De Japanse spits is immens druk. Om een beeld te schetsen: wij verblijven momenteel in Ekoda, dat op drie haltes van een van de belangrijkste knooppunten van Tokyo, Ikebukuro, is gesitueerd. Wanneer het plaatselijke boemeltje Ekoda binnenrolt om 8 uur 's ochtends is dit nagenoeg vol -vergelijkbaar met de treinen die op de vrijdagmiddag Utrecht Centraal in en uit rijden- maar wanneer de schuifdeuren open glijden doet elke reiziger zijn best om toch nog ruimte voor anderen te creëren. Bij de twee op Ekoda volgende stations precies hetzelfde verhaal. Goed adem happen voor je instapt is van groot belang, want de lucht in de trein wordt doorgaans erg ijl.

Toch is er, bij aankomst op Ikebukuro, geen haast om zo snel mogelijk uit de zweterige kabine te komen. Zij die bij de deur staan gaan het eerst naar buiten, en wanneer er iemand van hogere leeftijd -en doorgaans ook mindere lengte- tussen langere mensen staat mag deze altijd voor. Nog belangrijker: men stapt pas in wanneer de laatste reiziger de trein heeft verlaten, hoe lang dat ook mag duren.
Al die vertragingen bij de NS waren nog te verdragen geweest als de mentaliteit van sommige reizigers wat beter was geweest. Van mij mag een Japanse trein rustig 5 minuten vertraging oplopen, want ermee reizen is simpelweg erg prettig.

Dat is misschien nog wel het grootste verschil: heb je in Nederland het idee de hele tijd voor de ander op te moeten letten, in Japan is er van zulks geen sprake.

Hier letten de mensen op elkaar.

dinsdag 3 augustus 2010

Japanse consumptiedrang pt. 2

Hoe je het ook wendt of keert, Japan staat sinds de na-oorlogse bezetting onder invloed van Amerika. Hoewel er veel zijn –met name oudere Japanners- die hier bepaald niet over te spreken zijn, denk ik dat juist die mengeling van Westerse consumptiemaatschappij en traditionele Japanse waarden dit land zo veel leuker maakt dan alle andere landen aan de Aziatische kant van de wereld.


Want consumeren, dat kunnen ze hier. Schreef Pim reeds eerder over mobiele telefoons en televisie; ik wil het graag over het fenomeen ‘mall’ hebben. Een woord dat overigens geen passende vertaling naar het Nederlands kent, want het standaard winkelcentrum valt totaal in het niet bij een dergelijk koopjesparadijs. Vorig weekend werden we door de Ikeda’s meegetroond naar Higashimatsuyama’s nieuwe trots: de Peony Walk, passend vernoemd naar de bloem van de stad. Eindelijk hoefde er niet meer naar een veel verder gelegen plek –Wakaba- gereden te worden voor een middag (kleding)winkelplezier.

Higashimatsuyama is wat mensen uit Tokyo platteland noemen, en wat boeren als stedelijk zouden omschrijven: de perfecte mix van leuke woonwijken van elkaar gescheiden door kleine en dus onmogelijk rendabele rijstveldjes. We hadden de huizen al enige tijd achter ons gelaten toen in de voorruit plots een enorm gebouw opdoemde. De al even uitgestrekte parkeerplaats gaf ons het gevoel bij een enorme bouwmarkt te zijn beland, maar niets was minder waar: toen we via de hoofdingang het complex betraden werden we aangenaam verrast met roze tegels in een oerdegelijk patroon, lantaarnpalen, bankjes en heel veel koopgrage Japanners.

Eerste stop: de dierenwinkel. Net toen ik me afvroeg waarom er zoveel vrouwen voor de etalage samendromden kwamen de redenen in beeld: kleine hondjes en katjes die niet alleen het publiek, maar ook elkaar redelijk saai leken te vinden. Uiteraard allen perfect, want –geheel op zijn Japans- net zo lang doorgefokt tot die bepaalde kat geen zwarte haar meer in zijn vacht had en de krullen van die hond precies zo krullerig waren als de bedoeling was. Dat kost moeite en veel tijd, wat zich vertaalde in de prijs van de diertjes: al moet ik toegeven nooit bewust onderzoek te hebben gedaan naar de prijs van een huisdier in Nederland schrok ik me wild bij het zien van een prijs van omgerekend 3000 euro. Aangezien de gemiddelde Japanner ook niet bij machte is een dergelijk bedrag in een keer op tafel te leggen is er een heel handige oplossing bedacht: in Japan betaal je je hond of kat gewoon in termijnen! En, hoewel, ik het niet passend vond te vragen wat te doen wanneer het nieuwe huisdier halverwege de termijn het loodje zou leggen, hebben de Japanners ook daar ongetwijfeld een oplossing voor bedacht.


Volgende halte: de Omu Omu! Dit restaurant is, te midden van vele andere, gelegen aan een plein met een enorm gedeeld terras dat (alhoewel volgens Lonneke niet uniek voor Japan) geruzie over welke tafels nu bij welke horecagelegenheid horen uitsluit. Nooit meer genegeerd worden door een ober omdat je per ongeluk een verkeerde stoel bij hebt geschoven dus! Na –ook al wisten we niet precies wat- besteld te hebben gingen we voorzien van een pieper zitten. Ook weer zo slim bedacht: het voorkomt gedoe bij de kassa en de doorstroom is bovendien veel beter. Nooit meer iemand die de kassa bezet houdt omdat hij of zij zijn of haar hamburger nog moet krijgen.

Toen het eten eenmaal arriveerde was de trek zo toegenomen dat ik op dat moment alles had kunnen eten. Kwam dat even goed uit, want de volgende combinatie deed Pim en mij toch wel even slikken: rijst met tomatensmaak onder een omelet, overgoten met een aan ossenstaartsoep gelijkende saus. En, alsof nog niet gek genoeg, kreeg men bij ieder bord ook nog een zak friet. Hoewel afzonderlijk goed te pruimen –tomatenrijst uitgezonderd- hebben de Japanners het combineren van eten niet of veel te goed onder knie, afhankelijk van hoe je het bekijkt.

In de daaropvolgende twee uur vervolgden we onze ontdekkingsreis langs allerhande kledingzaken –waaronder een met de interessante naam ‘Starvations’- en keken we met name onze ogen uit naar de vele dagjesmensen. Moeders met armen vol tassen, vaders met armen vol kinderen.


Een ander hoogtepunt vond plaats toen we onder het genot van een ijsje even zaten bij te komen op een bankje en uit een nabijgelegen visrestaurant een kok met een tonijnhandpop tussen de noren doorliep. Toen hij zich van ons afdraaide bleek het hier echter een (niet meer zo)levensecht exemplaar te betreffen, getuige het bloed dat langs zijn onderarm op de grond drupte. Vrolijk maakte de man een rondje langs alle toeschouwers, ondertussen met zijn andere hand de onderkaak van de vis bewegend en zo een pratende mond suggererend. Het team van medewerkers dat met een doekje het bloed achter hem opveegde deed vermoeden dat de klandizie op dat moment enigszins tegen moet zijn gevallen.

In de auto terug naar huis uitten we uitgebreid ons enthousiasme over wat we net gezien hadden, en legden we uit hoe ontzettend anders deze mall in vergelijking met de Nederlandse winkelcentra was. Jawel, Tomoko vond het ook leuk, en was blij dat ze niet meer zo ver hoefde voor kleren.

Een bioscoop was voor haar het enige wat nog ontbrak.

zondag 1 augustus 2010

'Football is just a game (but I like it!)'

Aldus luidde het spandoek van de -voor een eenvoudig treffen in competitieverband- in grote getale meegereisde supporters van voetbalclub Vegalta Sendai. Plaats van treffen: het Todoroki Athletics Stadium te Kawasaki in de prefectuur Kanagawa direct ten westen van Tokyo. Tegenstander: Kawasaki Frontale!

Volgens wikipedia koos men bij de club, oorspronkelijk Kawasaki Fujitsu (een grote electronicafabrikant) geheten, voor het achtervoegsel 'frontale' omdat dit "het Italiaanse woord voor vooraan/vooruit is en zowel een aanmoediging als een wens voor een aanvallende speelstijl impliceert". Wanneer je rondneust in de lijst van in de J-league (de Japanse eredivisie) uitkomende clubs kom je wel meer spannende clubnamen tegen. Neem alleen al de tegenstander: Vegalta is dan weer geen Italiaans, maar een samentrekking van de namen van de hemellichamen Vega en Altair, hoofdrolspelers in de -in de Japanse mythologie belangrijke- mythe over het Tanabata-feest op 7 juli. Bent u er nog?


Een voetbalwedstrijd bijwonen behoort wellicht niet direct tot wat het eerste in iemand opkomt wanneer deze Japan bezoekt, maar aangezien een van de leraressen op school voetbalfan in hart en nieren is -ze was bedroefder dan wij dat Spanje met de wereldbeker aan de haal ging, en al helemaal toen keeper van Frontale Eiji Kawashima naar België vertrok- kon ze een aantrekkelijke korting op toegangskaarten voor een wedstrijd regelen. Aldus geschiedde, en dus togen Pim, Thomas, Lonneke en ik naar Kawasaki. Na ons in de fanshop van de broodnodige merchandise te hebben voorzien, kwamen we aan bij het stadion. Dat we er zo vroeg waren bleek geen overbodige luxe, want voor de toegangspoorten was een waar volksfeest aan de gang. Mensen van zeer verschillende pluimage -arm en rijk, jong en oud- bereidden zich voor op de wedstrijd tegen Sendai, hetzij met wat te eten of te drinken, hetzij door zich vol te hangen met Frontale-spullen van de alomtegenwoordige kraampjes. Of door de drinkautomaat leeg te trekken daar deze 100 yen goedkoper was dan de flesjes in het stadion. Ook leuk was het kraampje waar Braziliaanse saté werd verkocht. Immers, Braziliaanse voetballers genieten grote populariteit onder de Japanse voetbalfans en zijn dan ook in grote getale in de J-league aanwezig.

Toen we het 25.000 stoeltjes tellende stadion rond 6 uur binnengingen was het reeds voor driekwart gevuld. Een vriendelijke medewerker stuurde ons het juiste (sta)vak in, recht achter een van de doelen. De gehele helft van het stadion links van ons werd bezet door Kawasaki-fans, recht tegenover ons bevond zich het uitvak van een slordige 25 meter breed en de rest van de rechterkant was eveneens een zee van zwart-lichtblauw, of zoals ze zelf zeggen -jawel- 'nero azzuro'. Het veld werd tot half zeven slechts bevolkt door de vier(!) mascottes van de thuisclub, waaronder een olijke dolfijn, een platgeslagen daikon (Japanse radijs) en wandelende emmer kipnuggets. Toen beide ploegen het veld betraden voor de warming-up ontplofte het stadion nagenoeg: langs de gehele lengte van de boarding stonden vaandelzwaaiers met enorme vlaggen te zwaaien, terwijl het publiek werd opgehitst door enthousiast op en neer stuiterende mannen met megafoons in hun handen. En iedereen deed mee. Ook hier blijkt het ritueel misschien nog wel belangrijker dan het spelletje.


Een minutieus verslag van de wedstrijd zal ik jullie besparen, maar opvallend bleef het enthousiasme van de supporters, óók toen de thuisploeg met 0-2 achterstond. Bij beide doelpunten viel een stilte van slechts 2, 3 seconden voordat de liederen weer uit volle borst werden hervat. Uiteindelijk werd er met 3-2 gewonnen -per doelpunt werd er harder gezongen en gejuicht- na een faire, kaartloze wedstrijd.

Kwart voor negen: einde van het ritueel. Beide ploegen verlaten tegelijk, na elkaar gefeliciteerd te hebben het veld. De supporters stromen rustig naar de uitgangen. Het aantal politieagenten dat actief bezig is dit in goede banen te leiden: nul. Gebroederlijk wandelen supporters van beide partijen naar het station. Ze bespreken de wedstrijd niet na, maar zoeken tenminste ook geen ruzie met elkaar. Het niveau mag dan door sommigen laag worden gevonden, duidelijk is wel dat Japanners de essentie van het spelletje hebben begrepen, zoals ook blijkt uit de slagzin van Kawasaki Frontale: 'Football Together!'

Forza Frontale!

Vuurwerk en de Japanners

In tegenstelling tot de Nederlandse gewoonte om met oud en nieuw het oude jaar naar de vergetelheid te knallen, vieren de Japanners oud en nieuw op veel kleinere en rustigere schaal en steken ze nauwelijks vuurwerk af. Waar het bij ons met oud en nieuw soms lijkt alsof de oorlog is uitgebroken, blijft het op 31 december en 1 januari over het algemeen stil in Japan. Echter, Japan kent wel degelijk een rijke vuurwerktraditie, hetgeen tot uitdrukking komt in de serie van zomervuurwerken die ieder jaar wordt georganiseerd. Guan, Bas, Tom en ik bezochten één der beroemdste 'Hanabi Taikai' (groot vuurwerk evenement), namelijk het vuurwerk aan de Sumida rivier in hartje Tokyo, om de pracht van het Japanse vuurwerk aan den lijve te ondervinden

Hoewel het vuurwerk slechts een half uur zou duren en verwachte regen misschien roet in het eten zou kunnen gooien, was vanaf Ueno al een enorme mensenmassa op de been. Dat je het vuurwerk niet zomaar even kan bekijken bleek wel uit het feit dat veel Japanse meisjes en sommige Japanse jongens zich in Yukata (zomerkimono) hadden gekleed. Aldus gingen we temidden van een stoet van piekfijn uitgedoste Japanners het metrostation van Ueno in om af te reizen naar Asakusa. Daar zou namelijk één van de beste uitzichten op het vuurwerk te verkrijgen zijn. Ondanks het enorme aantal Japanners dat dit mooie plan met ons deelde, verliep onze reis met de metro zeer ordelijk. De Japanners zijn internationaal vermaard om hun drang niets aan het toeval over te willen laten en een klein leger van in knalgele uniformen gestoken verkeersagenten dirigeerde ons vriendelijk doch beslist door de metro heen. Voorts hielp uitstekende bewegwijzering die men tijdelijk aan de muren van de metrostations had bevestigd om de drommen mensen gelijkmatig over het perron te verdelen. Het ellebogen dat menig Nederlands forens dagelijks mag doormaken als hij de trein neemt was in ieder geval in geen velden of wegen te bekennen.

Eenmaal boven de grond in Asakusa waren de richtingsadviezen helaas wat minder duidelijk. Ook had men ongelukkigerwijs het midden van de straat afgezet, zodat daar Japanse gezinnen op kleedjes konden plaatsnemen om het vuurwerk te kunnen aanschouwen. Het was wel alleraardigst om te zien hoe men hier netjes de kleedjes had gerangschikt om zoveel mogelijk anderen ook zitruimte te gunnen om het komende spektakel te kunnen meemaken. Het kwam ons voor dat dit één van de zeldzame gelegenheden is om met het hele gezin samen te kunnen zijn, en dat men dit genoegen met zoveel mogelijk andere gezinnen wilde delen. Hoe huiselijk het er ook uit zag, de stroom mensen aan weerskanten van de zittende Japanners begon toch enigszins uit balans te raken. Uiteraard zijn ook Japanners niet vrij van enig ongeduld als het tijdstip waarop het vuurwerk nadert aanvangt, en al snel begon een aantal dissidenten zich ietwat ruw een weg naar voren te banen. Toen één man tegen de stroom in probeerde te lopen, maakten we kennis met een Japanse politieagent, wiens geduld zojuist was opgeraakt. Het Japanse equivalent van 'loop verdomme niet tegen de richting in' en nog enkele Japanse onbeleefdheden ontschoten hem. Gelukkig waren we net op tijd het grootste knelpunt voorbij, waarna het vuurwerk een aanvang nam.

Een ruim half uur stond de hemel in lichterlaaie met het meest prachtige siervuurwerk. Ook hier kwam het Japanse gevoel voor esthetiek naar boven in de vorm van het zogenaamde Han-Warimono vuurwerk. Dit vuurwerk is een combinatie van de Warimono en de Pokamono. De Warimono is een pijl de in een gelijkmatige cirkel uiteenspat, waar de Pokamono bestaat uit een pijl die, eenmaal afgeschoten, een clusterbombardement aan kleinere pijltjes afschiet. Zoals op onderstaande foto te zien is, zagen we een wonderlijk samenspel van gouden Warimono die doorsneden werden door de clusterpijltjes van de Pokamono. Hoewel het voor de meeste aanwezigen vast niet de eerste keer was dat ze het vuurwerk meemaakten, steeg bij menig pyrotechnisch kunststukje een welgemeend applaus op onder de aanwezigen. Hoewel het vuurwerk af en toe onderbroken werd om de volgende lading klaar te maken, was er geen enkel moment sprake van ongeduld of ontevredenheid dat het al afgelopen zou zijn.



Aldus werden we overdonderd door een vuurwerk dat het gefragmenteerde oud en nieuw geknal in Nederland deed verbleken. We konden ons laven aan de Japanse voorkeur voor het genieten in de groep en het zich over kunnen geven aan een vaste hoedanigheid waarin men het vuurwerk kan meemaken. Ook al was er enige wrijving op de plaats van bestemming, over het algemeen vleiden gezinnen zich op de voor hen bestemde plaats, liet men elkaar de ruimte en vertrouwde men op de kunde van pyrotechnici die het publiek een harmonieuzer vuurwerk voorschotelden dan dat men ieder voor zich had kunnen bereiken.

vrijdag 30 juli 2010

Umeboshi / de Blauwe Diamant

Niet lang geleden werd er in Nijmegen geploeterd op de Vierdaagse van Nijmegen. Broeierige warmte, blaren, zouttekort, uitdroging, misselijkheid, het zijn voorwaar barre omstandigheden. Hadden zij maar de umeboshi gehad, de ingelegde en gedroogde Japanse pruimen. Wij denken dat Japanners niet zo zeer zo oud worden van een levenlang vis eten als wel van het dagelijks gebruik van de umeboshi in de keuken en onderweg.

De ume wordt ook wel liefkozend de blauwe diamant genoemd. Strikt genomen is het geen pruim maar een abrikoosvariant die haar weg 1300 jaar geleden van China, via –zoals zovaak- Korea naar Japan heeft gevonden. Ook toen al slaagden de Japanners er in om een reeds bestaand product te verrijken en te verbeteren: de Japanse ume is ronder en groter dan de Chinese variant en bevat nog meer voedingsstoffen, die de eretitel diamant onder het fruit rechtvaardigen.



Een prima snack dus, zeker met deze hitte die –helaas- met geen woorden te beschrijven is: je moet het ondergaan. Zij die Japan eerder in de zomer bezochten weten waar ik het over heb, en kennen ook de gelukzalige verlichting die een ume in dergelijke omstandigheden biedt. Verkrijgbaar bij elke Konbini (dus letterlijk op elke straathoek). Met name de gedroogde variant is populair, want makkelijk mee te nemen. Een opvallend detail is dat, in tegenstelling tot bijna alle andere producten in de Japanse geoliede consumptiemaatschappij de umeboshi geen enkele reclame behoeven - maar toch gretig aftrek vinden. De Japanner weet wat te doen om kwiek te blijven in de zomer.

Vanuit thuis is een verlanglijstje opgesteld met mee te brengen boodschappen en souvenirs uit Japan. Bovenaan staan steevast de roze zakjes umeboshi.

dinsdag 27 juli 2010

Japanse consumptiedrang

Gisteren, op een doordeweekse dinsdag, bezochten Tom, Bas en ik het Tokyo Metropolitan Office in Shinjuku. De machtige constructie is één van de hoogste in de buurt, en vanaf één der torens kan een uitstekend uitzicht verkregen worden over Tokyo. Na een korte inspectie van meegebrachte tassen (een pure formaliteit in een veilige stad als Tokyo), stappen we in de lift en zoeven met een nauwelijks voelbare noodgang naar boven. Echter, als we uitstappen, treffen we niet de verwachte verrekijker aan waarmee megalopolis Tokyo bezien kan worden. In plaats daarvan is de hele verdieping gevuld met een vreemde combinatie van souvenirwinkeltjes en een Italiaanse koffiebar. Het valt ons ook hier weer op dat de Japanners nauwelijks gelegenheden en plekken onbenut laten om producten, dan wel diensten aan te bieden. Daarom bij deze een blog over de consumptiedrang in Tokyo die men, geheel volgens de Japanse hang naar perfectionisme, tot grote hoogte weet te brengen.

De gemiddelde inwoner van Tokyo heeft een chronisch gebrek aan tijd. Of het nu overwerkende salarymen, fulltime huisvrouwen, of jeugd die zich na schooltijd nog eens verplicht laat bijspijkeren op cramschools betreft, de tijd waarin bedrijven hun potentiële klant kunnen bestoken met reclame is beperkt. De Japanners zouden de Japanners niet zijn, als ze niet allerlei manieren hebben uitgevonden om de argeloze consument alsnog te voorzien van de nodige impulsen die tot kopen aanzetten. Waar in Nederland vaak onder etenstijd gebeld wordt om allerhande producten te slijten, bestookt men in Japan de klant met mobiele reclame mail. Zo mochten wij vorig jaar, toen we een Japans mobieltje tot onze beschikking hadden, maar liefst vijf keer per dag gunstige aanbiedingen voor een nieuw huis of een andere baan ontvangen. Toen we aan onze gastmoeder vroegen of we het niet uit konden zetten, staarde ze ons verbaasd aan met de woorden: 'maar willen jullie dan niet weten waar Yakitori de volgende week 20 yen goedkoper is?!'.
De mobiele reclame is niet de enige commerciële functie van het technologisch wonder dat Japanse mobiele telefoon heet. Men propt elk denkbaar snufje in toestellen, waardoor er onder andere mee betaald kan worden. Even vreesden we dat een vrouw in de metro op het punt stond om haar telefoon kapot te slaan op de incheck-poortjes, maar gelukkig bleek ze de telefoon eventjes zacht op het betaalvlak te drukken. Met name de grootste Japanse mobiele provider, NTT Docomo, heeft een waar arsenaal aan diensten om het de consument zo gemakkelijk mogelijk te maken zijn Yen via de mobiele telefoon uit te geven. Zo is er de dienst I concierge, die een overzicht biedt van de winkels en restaurants in de buurt en de dienst Cmode, waarmee de gebruiker met zijn telefoon bij allerhande automaten kan betalen.

Japanse automaten, de zogenaamde Jidohanbaiki, zijn een waar fenomeen en verschillen op sommige punten van hun westerse tegenhanger. Zo bestaat er ten eerste de mogelijkheid om yen biljetten in het apparaat te schuiven, hetgeen ideaal is voor degenen die geen cash bij zich hebben. Voorts hebben de automaten die drinken bevatten de handige eigenschap dat ze in de zomer de inhoud koelen en in de winter de inhoud verwarmen. Qua uitwerpsnelheid laat de Jidohanbaiki buitenlandse automaten ver achter zich, met donderend geweld is het gekozen product al uitgeworpen terwijl de selectieknop nog maar nauwelijks losgelaten is. Verder is de Jidohanbaiki zo aangenaam omdat er behalve versies met drinken, ook nog varianten met sigaretten, stropdassen en zelfs onderbroeken zijn. Ook is in een stad als Tokyo ongeveer iedere tien meter een ander kluitje Jidohanbaiki te vinden. Het maakte dat Tom en ik vorig jaar, in navolging van de Japanners, iedere dag wel drie flesjes frisdrank uit de automaat trokken. Hoewel we onze flesjes dit keer grotendeels met water navullen, blijft de jidohanbaiki en haar gemakken lonken.

Wat ook een onweerstaanbare verleiding biedt aan de Japanse consument, is de televisie. Waar in Nederland allerhande regels bestaan die sluikreclame trachten te weren, lijkt het alsof de Japanners juist zoveel mogelijk producten aanprijzen in hun tv-shows. Onlangs mochten we getuige zijn van de Japanse introductie van de nieuwe iPhone. Omdat het apparaatje gefabriceerd wordt door een Amerikaanse (buitenlandse!) fabrikant was er wellicht enige huiver bij de marketingbureaus dat Apple's nieuwste telg niet aan zou slaan bij het Japanse publiek. De oplossing bleek echter simpel. Allereerst zond Nihon Television een communicatiespecial uit, waarin het gebruik van smartphones in Japan werd onderzocht. Uiteraard was het gebruikte voorbeeld van een smartphone de iPhone 4, en natuurlijk waren alle Japanners die het apparaat gebruikten uitermate tevreden over de manier waarop dit hun levens verrijkte. Hoewel een dergelijk mechanisme ook wel in Nederland voorkomt, is het in Japan van een ongekende omvang en wordt een product letterlijk in alle beschikbare media aangeprezen. Zo worden treinen volgeplakt met iPhone 4 stickers, halen beroemdheden die zich in elke Japanse talkshow laten zien het apparaatje uit hun zak om de voordelen die het hun op levert op te sommen en spotten wij in menig elektronicazaak speciaal ingerichte stands voor de felbegeerde telefoon.

Het verbaast ons nu allerminst dat het aantal iPhones in de Yamanote trein iedere ochtend exponentieel toeneemt. Of het nu zaakjes vol met toeristische snuisterijen, aanbiedingen voor Yakitori of campagnes zijn om een nieuw apparaat aan te prijzen, het lijkt in Japan allemaal net even wat aantrekkelijker te zijn dan in het buitenland.

donderdag 22 juli 2010

Zoals een Inuit duizend woorden voor even zovele soorten sneeuw heeft ..

.. heeft men in Japan duizend verschillende woorden voor even zovele soorten soja-saus. Waar men in Nederland alleen ketjap manis kent, als een zoetige smaakversterker voor Indonesische gerechten, hanteert men in Japan veel meer varianten van de saus op basis van soja. Toegegeven, Nederlanders zijn verzot op ketjap, schrijven het zelfs in hedendaags Bahasa wel als kecap, en nemen het op vakantie naar den vreemde mee, net als de aardappels, hagelslag en drop. Toegegeven, de meer avontuurlijke Nederlander kent inmiddels ook wel de elegante zwarte flesjes met dubbele rode schenkdop van het merk Kikkoman zoals deze bij de meer authentieke Chinese en Japanse restaurants naast het peper- en zoutstelletje op de tafelhoek staan. Maar er blijken zoveel meer nuances in sojasmaak voorhanden. Hieronder een kleine greep uit het assortiment zoals we dat in de Japanse supermarkt aantreffen. Wees echter gewaarschuwd: we gaan de diepte in.



Wat is sojasaus eigenlijk? De basisingrediënten zijn –uiteraard- de sojaboon, geroosterd graan, water en zeezout. Hoewel uiterst populair in de Aziatische keuken wordt hij in het Westen slechts mondjesmaat toegepast: worcestersaus en maggi zijn de enige soorten saus die enigszins in de buurt komen. De echte saus wordt namelijk ook nog eens gefermenteerd en gemengd met wat alcohol. Dat soya in Azië zo wijdverspreid gebruikt wordt betekent tegelijkertijd ook dat hij in de loop der eeuwen aan de plaatselijke smaak is aangepast. Probeer dus niet een Chinees gerecht op smaak te brengen met Kikkoman: het resultaat zal wellicht smakelijk, maar niet zoals verwacht zijn.

Ook binnen Japan zijn er verschillende soorten saus. De traditionele vete tussen Kanto (Tokyo) en Kansai (Osaka en Kyoto) gaat niet alleen over standaarddialect en televisieprogramma’s, maar ook voedsel. Dus is het gepast dat beide regio’s een eigen saus hebben. In het geval van de Kanto is dit de zogenaamde Koikuchi saus, die –helaas, Osaka’ers- als standaard Japans wordt beschouwd. De Kansai-variant Usukuchi is, in tegenstelling tot de bijna zwarte Koikuchi, wat lichter van kleur en smaak. Sowieso lijkt men in Osaka niet zo dol op sterke smaken daar de Shiro-variant ook haar oorsprong in deze regio kent. Hierbij is de graan/soya verhouding nogal in het voordeel van de eerste uitgeslagen. Haar tegenhanger is Tamari, afkomstig uit het midden van hoofdeiland Honshu, die wordt gekenmerkt door haar lage graangehalte. Ten slotte is er nog de Keizerlijke Variant: Saishikomi wordt, in tegenstelling tot de andere soorten, niet in zout water gebrouwen maar in soya zelf, wat hem veel zoeter dan de rest maakt. En uiteraard -marketingexperts als ze zijn- hebben de Japanners allerhande labels voor de verscheidene sauzen bedacht. Naar mate van graad van fermentatie liggen de flesjes in de supermarkt gerangschikt. Dat zegt de gemiddelde westerse fijnproever bij een eerste bezoek natuurlijk niets, en daarom bij deze mijn top drie van niet te missen soorten:

1. Niniku
Met stip op één: niniku! Sinds de eerste kennismaking in 2006 staat deze bij iedere tafelgrill, gourmet of barbecue te huize Omes gebroederlijk tussen de whisky-cocktail en gembersaus. Het bevat namelijk het wonderingrediënt: knoflook! Die hebben we ook al jarenlang van Remia en Calvé, zult u zeggen, maar deze variant, namelijk in combinatie met soya, blijkt oh zo veel subtieler en beter gedoseerd. In het geval van een tandartsbezoek de volgende ochtend wordt gebruik helaas nog steeds afgeraden.

2. Sobatsuyu
De sobatsuyu vormt een goede tweede. Omgekeerd evenredig aan het oplopen van het kwik neemt de Japanse behoefte aan warme maaltijden ’s zomers af. Jazeker, noedels eet men hier in de maanden juni, juli en augustus gewoon koud. Niet zelden hebben wij een schaal voorbij zien komen waarin soba – boekweitnoedels - en ijsblokjes gebroederlijk naast elkaar liggen. Daarbij hoort uiteraard ook een speciale saus of tsuyu, samengesteld uit een aardige hoeveelheid dashi (een Japanse bouillon), zoete soyasaus en mirin (zoete rijstwijn vor het kokkerellen). Deze saus geniet zulk een populariteit dat deze, als de soba eenmaal opgeslurpt zijn, met het water waarin de noedels gekookt zijn opgedronken wordt.

3. Ponzu
Nummer drie, maar zeker niet de minste, is de niet te versmaden variant ponzu, samengesteld uit mirin, rijstazijn, bonitovlokken (vis, familie van de makreel) en kombu (zeewier). Dit mengsel wordt, na te zijn afgekoeld, op smaak gebracht met een of meer van de volgende Japanse citrusvruchten: yuzu, sudachi, daidai of kabosu. Wie het zelf wil proberen: citroen en/of limoen volstaan ook. In beginsel is ponzu dus een lichtgele, waterige saus, maar omdat het voor gebruik meestal wordt vermengd met sojasaus heeft ook dat mengsel de naam ponzu of ponzu saus.

In het begin is het misschien even wennen, maar uiteindelijk een waardevolle uitbreiding op het Westerse smakenpalet. En ook al schenk je het zelf niet over je eten heen, alles wat je geserveerd krijgt is op de een of andere manier al in aanraking geweest met het donkerbruine goud. Na een week ben je vergeten hoe eten zonder smaakte!

woensdag 21 juli 2010

DiCaprio? Watanabe!

Elke zomer kent haar zogenaamde blockbusters - films waarvan op voorhand al zeker is dat ze de kassa’s gaan laten rinkelen, ongeacht de uiteindelijke kwaliteit. Echter, enkel de allergrootste films kennen een wereldwijde release: Japanners krijgen sommige Westerse producties pas een half jaar later te zien. Zo niet ‘Inception’.

Met akelig weinig bekend over het verhaal en amper vrijgegeven beelden zijn de verwachtingen wereldwijd torenhoog gespannen. Zo ook in Tokyo, want draai één maal om je as –waar je ook staat- of er hangt wel ergens een affiche van de film. Hetzij een doek van 10 meter vanaf de bovenste verdieping van een kantoorpand, of een poster van normale afmetingen in een metrostation. De film staat dan ook bij erg veel Japanners op de radar –er is immers geen ontsnappen aan- maar misschien om andere redenen dan de onze.

De film wordt hier net als in Europa en Amerika in de markt gezet als ‘van de regisseur van The Dark Knight’, maar ga er maar niet van uit dat er één Japanner is die de naam Christopher Nolan kent. En daar houdt de vergelijking ook wel op, want ook al is de hoofdrol weggelegd voor Leonardo DiCaprio, geen Japanner die dat heel interessant vindt. En wel om de volgende reden: Ken Watanabe, een van de drie Japanners die het wist te maken in Hollywood. Tevens de enige die interessant blijft voor het Westerse publiek, want Mr. Miyagi was vooral een one hit wonder en Mr. Sulu is al jarenlang behoorlijk uitgerangeerd. Watanabe blijft ons echter aanspreken: ook al staat hij – zijn hoofdrol in Letters From Iwo Jima uitgezonderd – eigenlijk nooit echt in de spotlights, als ongekroond koning van de bijrollen is het een acteur die niet verveelt. En daar zijn de Japanners ongelooflijk trots op.

   

Op het moment van schrijven heb ik ‘Inception’ nog niet kunnen bekijken, maar ik hoop dat Watanabe meer tekst gaat krijgen dan die drie zinnen in zijn vorige samenwerking met Nolan, ‘Batman Begins’. Hij heeft de harten van het Japanse publiek sowieso al voorgoed weten te stelen: zulks bleek ook vanochtend toen bij Goedemorgen Japan DiCaprio twee zinnen mocht zeggen (over zijn Japanse medespeler nota bene) en Watanabe een heus diepte interview onderging. Ja, het was fijn samenwerken met DiCaprio. Ja, hij vond het een spannende onderneming, die film. Ja, hij bewonderde het werk van Nolan enorm.

Al was het over zijn broodbeleg van die ochtend gegaan, Watanabe Ken verveelt het Japanse publiek nooit.