dinsdag 24 januari 2012

Tokyo Tree Design

Ondanks de mogelijk misleidende titel vandaag even niet de focus op de bekendste Tokyo Tree, deze gaat pas formeel open in mei 2012. Mijn belangstelling gaat eerder uit naar deze echte tree. En met name naar het staketsel er om heen.

Deze boom staat voor de Nitenmon poort, op zich al een bezienswaardigheid want de oudste toegang tot de Senso-ji in Asakusa. Nu de herfst ook in Japan voorbij vliedt, is het blijkbaar tijd om de boom winterklaar te maken. Onzin om jaren van knippen en vormsnoei op te offeren aan een nachtvorst of sneeuw. Zodra het echt gaat vriezen, wordt om de hoepelrok een deken gewikkeld. De draad- en bamboeconstructie ondersteunt tevens de takken wanneer deze te zwaar zouden worden door sneeuwval.





Geniaal. Japans. Subtiel, sober, kunstzinnig ook. En wat een geduld, wat een vakmanschap. Kom daar bij ons maar eens om.

En vooruit, hier is ook de andere Tokyo-tree:

maandag 23 januari 2012

Over straatnamen en huisnummers? Die zijn er niet!

Tijdens de kerstvakantie kwam de rest van het gezin over naar Japan. Een welkome gezinshereniging, want na tien maanden werd het hoog tijd om elkaar ook live te spreken, voelen en ruiken. De webcam is weliswaar een goede vervanger, maar er gaat niets boven werkelijk contact.

Op de agenda stond uiteraard de bezichting van mijn dormitory. Hoe leeft-ie, waar slaapt-ie? De dorm waar ik verblijf bevindt zich in Waseda, een wijk in het midden van Tokyo. Vanuit ons gezamenlijk logeerverblijf in Higashimatsuyama, twee treinuren ten Noord-Oosten van de hoofdstad namen we de Fukutoshin lijn, die vanaf Wakōshi onder de grond duikt.

Nadat we in Waseda boven de grond kwamen - de metro gaat in Tokyo vier lagen diep - voerde ik de familie mee door de mij inmiddels welbekende wirwar aan straten en steegjes. Na 10 minuten koersen door het labyrint hield ik stil voor de voordeur. De rest liep stug door want had nog niet in de gaten dat we reeds op de plaats van bestemming gearriveerd waren. Ofschoon eenieder de foto van mijn dorm-ingang reeds lang ingeprent heeft - lang van elkaar gescheiden zijn, doet dat met je - bleek de werkelijkheid toch anders, Google Maps werkt met fisheye camera's die meer afstand tot het pand suggereren en een kijkhoek creëren die we zelf niet of nauwelijks kunnen realiseren. Men was verbaasd en verrast: "Hoe heb je de eerste keer in vredesnaam je huis kunnen vinden? Immers, er zijn nergens straatnamen en huisnummers te zien!"

En dat is inderdaad zo, ofschoon elke straat vergeven is van kanji en kana, betreft het hier nooit straatnamen en huisnummers; die zijn er niet. Wie zich in het Japans durft uit te drukken, doet er goed aan om de weg te vragen. De familie was trots. En nog meer verrast. Hoe kan het dat een modern land als Japan nooit op de ons zo bekende manier bewegwijzerd is?

In tegenstelling tot onze stratennamen en huizennummering is Tokyo opgedeeld in wijken waarbinnen zich blokken bevinden. De kleinste eenheid is een blok. De enige die precies weet waar iemand woont is de lokale postbode. Deze is dan ook goud waard. Daarnaast weet overigens elke bewoner in het blok ook exact wie waar woont. Een vragend mens is te helpen.

Japan is niet bepaald een achtergebleven land. In technologisch, organisatorisch en logistiek opzicht zijn het onbetwiste kampioenen. Wat zou dan de reden kunnen zijn voor het niet hanteren van deze zichtbare aanduidingen op staat? Hieronder wat overpeinzingen.

De Japanse aanduidingen voor buurten en wijken hebben veelal een geografisch-historische connotatie, Akihabara is bijvoorbeeld het veld van de herfstbladeren. In Nederland doen we dit ook, maar bovendien eren wij ook graag personen door een straat naar hen te vernoemen. Van de Keesomlaan in Den Burg gaat ons hart sneller kloppen, Japanners zijn dit niet gewoon. Er zijn dus in elk geval te weinig straatnamen voorhanden. Een hele categorie valt af.

Japanners steken vooral functioneel in: vergelijk het met Meijveld 1099. Een experiment dat in nieuwbouwwijken in de zeventiger jaren even werd gehanteerd: Tiende straat nummer 99. Fantasieloos in onze ogen, maar een kolfje naar de functionele hand van de Japanner. Blijft echter toch het feit dat wij de weg naar 10-99 uitstekend beplaten aan de lantaarnpalen of op de hoekgevels van huizen, terwijl men dit in Japan niet doet.

De gemiddelde Japanner verlaat zijn blok niet vaak, buiten het forenzen naar het werk om. Het leven speelt zich grotendeels in het blok af. Er wordt gewoond, gewerkt en gefeest tijdens de buurtfeesten. Deze feesten (matsuri) werden door de overheid aanbevolen om het buurtgevoel te versterken en worden ook nu nog aangemoedigd en gefaciliteerd. Het "wij in de buurt"-gevoel is nog steeds belangrijk. Japan werkt volgens het uchi (in-group) soto (out-group) systeem, waarbij de uchi een buurt vormt, waar andere buurten niet bij horen. Met andere woorden, je wordt geboren in een bepaald blok en hebt dan contact met de mensen die in het blok wonen, over het algemeen je buren. Deze geslotenheid heeft als voordeel dat men elkaar kent in de buurt en bij problemen eensgezind kan optreden. Hoewel dergelijke buurtgenootschappen tegenwoordig ook in Japan tanende zijn, is het een fijn idee om te weten dat je een beroep kunt doen op je buurtgenoten als je bijvoorbeeld ziek bent, als er brand is of de lokale aardbeving wat heviger is.

Familie die soms ver weg woont, kan door de overvolle werkdagen die de gemiddelde Japanner heeft niet frequent worden bezocht. Er worden brieven verstuurd die de post feilloos en trefzeker afhandelt en er wordt met name veel gebeld. Telefoonnummers zijn dan ook veel belangrijker dan straatnamen en huisnummers.

Andere blokken worden dus door niet-blokbewoners nauwelijks aangedaan. Er is domweg geen noodzaak. Derhalve zou een overkoepelend adressen- en stratennamen systeem als het onze, louter de verdwaalde toerist een handvat bieden. Omdat wij als westerlingen gewend zijn om een stad in ons eentje te verkennen, werkt het exact aanduiden van straten en huizen inderdaad voor ons erg goed. Echter, de Japanner gaat zelden alleen op stap en zal de wijkagent om de weg kunnen vragen. Het zou een onnodige en dure investering zijn.

Vrienden, zoals we die in Nederland kennen, relaties die we aangaan, en met name zelf uitzoeken op basis van gemeenschappelijke hobby's, of een gedeeld verleden, zijn in Japan niet zo belangrijk. Japanners zijn wel vriendelijk, maar relaties worden niet zozeer aangeknoopt vanuit de eigen keuze danwel door het lot bepaald: de buren worden de "vrienden". Misschien heeft het gezegde "Beter een goede buur dan een verre vriend" wel Japanse wortels.

Zo pas ook ik me aan: mijn vrienden in Japan zijn door het lot bepaald. Een toevallige bonte verzameling internationale studenten op een woongang, een paar dozijn toevallige Japanse deelnemers aan de Waseda International Club, een toevallige mevrouw Nakamura als huisbaas.
Mijn vrienden zijn mijn buren.
Het lot is mij gunstig gezind,
het zijn fijne vrienden!

zondag 11 december 2011

Kerstsfeer

In de rommelwinkel aan de overkant, waar ik mijn boodschappen elke dag doe, is het al sedert oktober kerstmis aan het worden. Al enkele maanden klinkt de kerstmuziek door de zaak, waarbij Amerikaanse bestsellers (Mariah Carey cs) afgewisseld worden met een eindeloze schare van Japanse beroemdheden die allen hun eigen versie van Jinglebells ten gehore brengen.

Gisteren werd ook het kerstassortiment in de schappen uitgebreid met een aantal kerstattributen die de kerstsfeer nog vrolijker zouden kunnen maken. In het minst feministische land op aarde is blijkbaar een markt voor dit soort gezelligheden. Voor de prijs hoeft u het niet te laten, voor omgerekend 30 euro is het feest waarlijk compleet.

dinsdag 29 november 2011

Beleefd verzoek



De tekst op de bijgevoegde afbeelding luidt, vrij vertaald:
Aan de edelachtbare katten en honden.
Het gras, de planten en bomen en de bloemen huilen.
Hou er alsjeblieft mee op om hier nog rond te lopen
getekend:de bewonersorganisatie van Ikebukuro

Zo'n beleefd geformuleerd verzoek ondersteun ik van harte en verdient het dan ook om onder de aandacht gebracht te worden van een veel breder publiek.

zaterdag 26 november 2011

The Dorm goes Kamakura

Beste lezers. De temperaturen dalen en de bladeren aan de bomen kleuren langzaam maar zeker rood. Kortom, de Japanse herfst is in gang gezet. Hoewel de bomen in de omgeving van Tokyo pas tegen het einde van november of zelfs begin december hun mooiste kleuren ten toon spreiden, besloten we afgelopen woensdag om er met een paar dormgenoten op uit te trekken. De reis zou leiden naar Kamakura, een historisch stadje dat ongeveer 50 kilometer ten zuidwesten van Tokyo ligt. Van de twaalfde tot de veertiende eeuw huisde hier het Shogunaat, de militaire regering van Japan, waardoor het toentertijd de de facto hoofdstad van Japan was. Veel van de tempels en historische gebouwen aldaar stammen uit die tijd. Bovendien bevindt zich nabij Kamakura één van de grootste Boeddhabeelden van Japan, de zogenaamde Dai-Butsu (grote Boeddha). Tel daarbij op dat Kamakura omgeven is door bergen en aan zee ligt en u begrijpt waarom wij daar wel eens een kijkje wilden nemen!



Op woensdagmorgen omstreeks 9 uur zouden de reizigers zich in de hal van de dormitory verzamelen. Het genootschap bestond uit dormbewoners van verschillende nationaliteiten, waaronder een Canadees een Amerikaan, Italianen en Taiwanezen. Na enig oponthoud door wekkers die niet waren afgegaan, trokken we om half tien de deur achter ons dicht en togen we naar het Takadanobaba station. Vanaf het Takadanobaba station namen we de trein naar Shinjuku, alwaar we overstapten op de trein die ons naar Kamakura zou brengen. De reis liep voorspoedig, en we hadden geluk met het weer. Het was een zonovergoten dag en de temperatuur was met 15 graden buitengewoon zacht voor de tijd van het jaar. De spoorlijn liep op een gegeven moment rakelings langs de Stille Oceaan, waardoor we getrakteerd werden op een adembenemend uitzicht, compleet met Japanse visserscheepjes.

Aangekomen op het hoofdstation van Kamakura bleek dat het plaatsje zich niet aan de invloed van de moderne tijd had kunnen onttrekken, reeds in het station was het struikelen geblazen over de souvernir winkeltjes en stalletjes. Zoals in elke toeristische plaats van enige naam in Japan, was het erg druk. Deze drukte werd ook veroorzaakt door het feit dat deze woensdag de dag van de arbeid gevierd werd, en heel Japan vrij was. Daardoor hadden velen met ons de gelegenheid te baat genomen om er eens lekker uit te gaan in Kamakura. Nu vraagt de lezer zich wellicht af of het dan wel zo verstandig is om naar een plek af te reizen waarvan men op voorhand weet dat het er zwart zal zien van de mensen. Nu, na zelf ruim een half jaar in het hart van Tokyo te hebben gewoond, kan ik beamen dat de volgepakte winkelstraatjes van Kamakura toch van een geheel andere orde zijn dan de Tokyose bebouwing en verbazingwekkend hoge aantallen mensen die in de Japanse hoofdstad op een kluitje wonen. Bovendien is het hier niet, zoals in sommige andere landen, duwen en trekken geblazen. Nee, de Japanner die nog opgevoed is met de wijsheid dat geduld een schone zaak is staat keurig netjes in de rij voor winkels en eetgelegenheden. Hierdoor beweegt de mensenfile een stuk sneller voort dan wanneer iemand plots de andere kant op moet omdat hij of zij toch in dat winkeltje vol snuisterijen aan het begin van de straat had willen kijken.

Omdat we rond lunchtijd aankwamen, namen we eerst een goede lunch tot ons, alvorens we aan het winkelen zouden slaan. De groep werd hierbij in tweeën gesplitst, de gegadigden voor soba (een Japanse noedel gemaakt van boekweit) en degenen die liever wat Okonomiyaki (Japanse pannenkoek) wilden nuttigen. Omdat één van de Italiaanse meisjes een goede Okonomiyaki-zaak bleek te kennen, besloot ik met haar mee te gaan en de proef op de som te nemen. Hoewel ik zoëven meer voelde voor het nuttigen van soba in verband met het de lagere voedingswaarde daarvan, deed de Okonomiyaki mij dat goede voornemen snel vergeten. De keuze was gevallen op een mix van kimchi (gefermenteerde Koreaanse kool) en rundvlees, gemend met een keur aan Japanse groenten. We mochten de Okonomiyaki zelf bereiden, volgens de zogenaamde teppan-yaki methode. Dit houdt in dat de ingrediënten worden aangeleverd in een kom, waarna men ze met kookstokjes mengt en op de grilplaat (de teppan) uitspreidt. Daarna moet de inhoud op cirkelvormige wijze op de plaat worden uitgespreid en net als de ons bekende groentepannekoeken een aantal keer worden omgegraaid alvorens ze opgegeten kunnen worden. Tot slot wordt de pannekoek bedekt met een laagje Okonomiyaki saus en is het toegestaan om rijkelijk gebruik te maken van de mayonaisefles.

Na het middagmaal bedacht de helft van ons dat het toch wellicht beter was om eerst de tempels te gaan zien. De winkelgroep achterlatende besloot ik mij aan te sluiten bij de tempelexpeditie. Het eerste heiligdom op de route was de Hachimangu tempel. Deze tempel vormt het middelpunt van de stad Kamakura en is gewijd aan één van de militaire leiders uit de Kamakura periode, de Shogun Minamoto no Yoritomo. Toen we bij de Hachinmangu aankwamen hadden we het geluk dat er net een huwelijksceremonie werd voltrokken. Hoewel de Japanners tegenwoordig de westerse huwelijksceremonie, compleet met priester en westerse kleding vaak uitvoeren, was hier sprake van een traditioneel Japanse ceremonie. Muziek uit vervlogen tijden werd uitgevoerd en de priesters, bruid en bruidegom waren uitgedost in kimono. Hoewel de ceremonie op zich voor zover wij het konden beoordelen op de traditionele wijze werd uitgevoerd, was het een vreemde gewaarwording om de gasten in westerse kleding te zien zitten in een tempelgebouw uit de elfde eeuw. Ook werd het geheel door een filmploeg op de camera vastgelegd. Hierdoor scheen het mij toe alsof deze ceremonie niet alleen voor de de westerse toerist uit een andere tijd stamt maar ook voor de Japanners zelf tot een andere wereld behoort. Het was kortom alsof de het oog van de camera symbool stond voor het hedendaagse Japan dat zichzelf in toenemende mate vervreemd ziet raken van de eigen tradities.









Nadat we de Hachimangu hadden bezichtigd, vertrokken we naar het station om daar de trein te nemen naar de Dai Butsu. Echter, onderweg kwamen we langs een tempelcomplex dat we aanvankelijk niet op de kaart hadden aangetroffen. Het ongeverfde, door de tand des tijds verweerde hout van deze zogenaamde Kencho tempel contrastreerde zeer met de felrood geverfde Hachimangu. Naar later bleek is deze Kencho tempel onderdeel van de Zen school in het Japanse Boeddhisme, een vorm die bij uitstek de nadruk legt op eenvoud en introspectie. Met name één van de tempel hallen waar een Boeddha was opgesteld met daarvoor een beeld van de Boeddha hoe hij er aan toe was toen hij bijkans stierf door het vasten was erg indrukwekkend. Deze onverwachte onderbreking van het normale programma nam ons zo zeer in beslag dat we de tijd vergaten, totdat één van de Italianen ons er aan herinnerde dat de Dai Butsu maar tot half zes te bezichtigen is. Met stevige pas liepen we door naar het centraal station van Kamakura, alwaar we op de trein sprongen naar de Grote Boeddha.

Toen we bij de Boeddha aankwamen, hadden we nog exact een half uur om het standbeeld te bezichtigen. Hoewel de nacht al gevallen was, verlichte men het beeld met een aantal lampen, waardoor de Boeddha nog indrukwekkender leek dan bij daglicht. De Buddha van Kamakura is maar liefst 15 meter hoog en volledig uit brons opgetrokken dat door de tijd is verweerd. Dientengevolge glansde de Dai Butsu ons tegemoet en de flauwe glimlach om zijn lippen leek wel te bewegen. Het leek wel alsof hij ons een goede reis naar huis wilde wensen, en met deze gedachte in het achterhoofd togen we tevreden huiswaarts.

donderdag 27 oktober 2011

Zomaar een werkdag

Beste lezers. Na mijn voorgaande blogs over de Japanse maatschappij en de uitstapjes die ik hier zoal maak, vraagt u zich wellicht af hoe een doorsnee dag in Japan er uit ziet. Het is immers niet enkel tempels bezoeken en kersenbloesem kijken wat mij hier bracht, maar met name het leren van de Japanse taal en onderzoek doen voor de afstudeerscriptie. In de tussentijd heb ik ook nog een bijbaantje gevonden bij een Japans bedrijf, dus hierbij een verslag van een donderdag in Tokyo.

Net als in Nederland hebben de ouderejaars studenten vaak geluk met hun colleges, zodat ik niet iedere dag om 9:00u op de universiteit hoef te zijn. Vandaag was dat echter wel het geval, dus ging de wekker al om 7:30u. Natuurlijk is dit nog steeds een tijd om op te staan waar de meeste mensen jaloers op zijn, dus met deze gedachte in het achterhoofd hees ik me uit bed en verjoeg ik de dichte mist in mijn hoofd met een flinke kop nescafé. Hoewel ik me in het land van de groene thee bevind, gaat er nog steeds niets boven de ochtendkop koffie!

Vanochtend stonden twee lesuren Integrated Japanese op het programma. Deze lessen houden een mix tussen grammatica, begrijpend lezen, opstellen schrijven en spreekvaardigheid in. We lezen teksten uit een boek die daadwerkelijk in een krant of tijdschrift zijn gepubliceerd en leren om opstellen te schrijven volgens de Japanse manier, die nogal van onze westerse opbouw verschilt. Waar een westers essay in de regel de indeling inleiding, middenstuk en conclusie aanhoudt, is deze indeling in het Japans veel minder duidelijk. Delen lopen vloeiend in elkaar over en houden vaker een observerende stijl aan in plaats van het poneren van een stelling en het beantwoorden daarvan in de conclusie. Ook is logica soms ver te zoeken, de essays lijken meer op gevoel te worden geschreven en hoeven niet persé zo zakelijk mogelijk te worden geschreven. Het levert naast de nodige hoofdbrekens ook veel plezier op en ook vanochtend werd er lustig op los gepuzzeld.

Na de les van vanochtend was het tijd voor de middagpauze en ontmoette ik mijn Chinese vriend Li Mo. Toen ik hier begin dit jaar aankwam ontmoette ik hem bij de Waseda International Club, de internationale circle waar ik lid van ben. Li Mo studeert ook Japanse literatuur en had zijn vriend Nick uit Hong Kong meegenomen naar de eetzaal.
De eetzaal van Waseda is een typisch voorbeeld van de eetgelegenheden op een Japanse universiteit. Anders dan bij ons wordt er voor het eten een zeer schappelijke prijs gevraagd (400-500 yen, hetgeen omgerekend 4-5 euro is) voor een middagmaal waar je tot aan het avondeten op kunt teren. Vandaag had ik gefrituurde kip met witte rijst en tofu, maar ik had evengoed kunnen kiezen voor een heerlijke katsudon (schnitzel) of de volgens het menu zeer roemruchte stamina pilaf. Ook eigen aan Japan, maar ons geheel vreemd, is de gewoonte dat onbeperkt vullen van je beker met nieuwe water of thee bij de prijs inbegrepen is. In tegenstelling tot Nederland vult men hier niet tot op het genante af de beker ' omdat het toch gratis is' , maar houdt men het keurig netjes bij een of twee refills.

Na dit middagmaal met Li Mo en zijn vriend moest ik me naar het metrostation van Waseda om naar Takadanobaba te reizen. Daar nam ik de Yamanote-sen naar mijn werk in Ebisu. Deze dienst is het toppunt van Japanse efficiëntie. Iedere twee minuten komt een trein, waarna de deurtjes gedurende ongeveer een halve minuut openen. Zonder morren laten de mensen op het perron (die keurig in de rij staan, jawel het is echt mogelijk!) de mensen uit de trein stappen, waarna men geruisloos de trein in golft. Ook bij grote drukte gaat dit relatief soepel, zonder te morren laten mensen zich als haringen in een ton samen persen.

Eenmaal aangekomen op Ebisu dein ik mee op de grote menige salarymen die door poortjes het station uitstroomt. De salaryman is het Japanse equivalent van de Nederlandse kantoorman, al kan de eerste term beter als kantoorslaaf worden vertaald. De salaryman zit van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat op zijn kantoor. Zo ook de medewerkers van OKwave, het internetbedrijfje waar ik een bijbaantje heb. Ik beheer er de Nederlandse versie van de vraag en antwoord dienst Arigato en doe dit door via Facebook en twitter de service te promoten.
Nu ik er een paar weken werk heb ik wat meer inzicht gekregen in de Japanse manier van werken. Alle vaste krachten om mij heen zitten met een stoïcijns gezicht aan hun computer te werken en veinzen dat ze volop aan het werk zijn. In werkelijkheid valt dat wel mee, aangezien er regelmatig met de naburige collega op gedempte toon een babbeltje wordt gemaakt of er iemand anders langskomt met de vraag of er even een klusje tussendoor gegereld kan worden Uiteraard gebeurd dat in Nederlandse bedrijven ook, maar het was op zijn minst vermakelijk om de collega's aan de tafel achter mij vol geduld posters met motiverende teksten te zien maken. Het leek meer op de knutselclub dan op een volwaardig bedrijf. Echter, dergelijke kneuterigheid maakt het werken dan wel weer wat dragelijker en het 'otsukaresama' (goed gewerkt!) dat weerklonk toen ik het pand verliet maakte de dag meer dan goed.

Thuis aangekomen was het tijd om een opstel voor volgende week te corrigeren, en toen zat de dag er al weer op! Ik verlaat jullie om zo zoetjesaan mijn nest op te zoeken, maar verwacht binnenkort weer een nieuwe blog!

zondag 18 september 2011

Apenstreken op Tokyo Tower

Beste lezers. Na in de vorige twee blogs kort in te zijn gegaan op respectievelijk de stenen schildpad in Nikko en het Hollandse pakketje, wordt het tijd u weer eens op de hoogte brengen van gebeurtenissen uit het dagelijks leven. De dormitory heeft zich sinds dinsdag 6 september langzaamaan gevuld met nieuwe studenten, zodat het studentenleven voor het nieuwe semester alvast van start is gegaan. Omdat we ditmaal verschoond zijn gebleven van de gevolgen van een aardbeving zoals die in maart geschiedde, verloopt alles volgens plan en wordt er volop kennisgemaakt.

Sinds de zesde september heeft zich zo zoetjes aan een groep van Europeanen, Amerikanen en Taiwanezen gevormd. Het is steeds weer erg leuk om te merken dat mensen uit zulke verschillende landen verbonden worden door de gemeenschappelijke interesse voor Japan. Zo is er een meisje uit Rusland dat linguïstiek studeert in Moskou, maar gaandeweg Japan ontdekte en heeft besloten zich nu op de Japanse syntaxis te storten. Voorts is een Deense vast van plan om medische historie uit 17e eeuws Japan te lijf te gaan en houdt een Mexicaanse jongen het op hedendaags Japans design dat hij voor zijn media studie kan gebruiken. Uiteraard worden er niet alleen maar serieuze zaken doorgesproken, want in de avonden is er volop ruimte voor welkomstfeesten en kaartspelletjes. Zo bevonden we ons achtereenvolgens in de Izakaya (Japans equivalent van de kroeg), de karaokehal en in een kaartspel waarbij meer drank vloeide dan er punten vergaard werden.

Met name de karaokehal was een ervaring op zich. Omdat de meeste mensen in Nederland bij het woord karaoke spontaan jeuk krijgen, zal ik kort uitleggen waarom het in Japan zo mateloos populair is. Anders geformuleerd, waarom is het aantrekkelijk om in een piepklein zweterig hok hits uit de jaren '80 na te zingen? Welnu, zoals jullie ongetwijfeld weten na het lezen van mijn blog, is Japan een maatschappij waarin men weinig vrije tijd kent. Werkdagen van 9 uur tot 11 uur 's avonds zijn geen uitzondering. Het behoeft weinig uitleg dat de overwerkte salaryman tijdens de nachtelijke uurtjes weinig zin meer heeft om een vuistdikke roman ter hand te nemen. In plaats daarvan heeft men bedacht dat de tijd beter opgevuld kan worden met het gezamenlijk nazingen van liederen, het bij ons beruchte karaoke. Dit kun je alleen doen, maar het is natuurlijk veel leuker om het met je net zo overwerkte collega's te doen. Drank is in overvloed te bestellen in de hokjes, zodat alle opgekropte gevoelens die op het kantoor zijn opgelopen, hun weg vinden in hartstochtelijke en een tikkeltje valse interpretaties van Fly Me To The Moon. Op deze manier haalt men het gebrek aan momenten om zichzelf te uiten in een sneltreinvaart in.

Omdat onze groep ook zin had om de zinnen eens flink te verzetten, zetten we al onze twijfels overboord en betraden het domein van de salaryman, de Karaokehal bij het Takadanobaba station in de buurt. Na ons voor twee uur vast te hebben gelegd voor hokje nummer 640, wurmden we ons met zijn twaalven in een ietwat te kleine lift, die gelukkig wel de zesde verdieping bereikte. Bij het uitstappen klonken de 'artiesten' uit aangrenzende hokjes ons al tegemoet. Om er in te komen werden titelsongs van obscure anime vermeden en vertolkten de aanwezigen hits van de u welbekende Zweedse formatie Abba en Rick Astley. Na verloop van tijd waagde men ook voorzichtige pogingen tot Japans zingen, waarna Lady Gaga het feest mocht afsluiten. In de tussentijd echter had een collega artiest uit hokje 639 het voor elkaar gekregen een royale plak van zijn maaginhoud voor de lift uit te spreiden. Toen werd het raffinement van de karaokehal pas echt duidelijk. Het personeel strooide speciaal zand over het overgeefsel om het niet te laten intrekken en de geur weg te nemen!



Na dit karaokeavontuur beklommen we vandaag de Tokyo tower, het iets hogere zusje van de Eiffeltoren. Hoewel ik al reeds twee keer op de toren was geweest, trof ik er ditmaal het volgende schouwspel aan:

zaterdag 17 september 2011

Dutch Treats

Zoëven werd een pakketje van Helma bezorgd! Het zit boordevol drop, stroopwafels, de Ruijter broodbeleg, Werthers, Ikea-food, een Sudoku boekje en een spannende thriller van Ruth Rendell. Ben erg blij dat ik me weer aan een doos Nederlandse/Europese zaken kan laven!



Ofschoon het Japanse menu zeer aan mij besteed is, zijn evenwel dit soort lekkerheden bijzonder. Het aardige is ook dat ik het nu eens niet hoef te proberen om deze zaken uit te delen aan mijn dormgenoten: Japanners houden niet van sterke smaken en al helemaal niet van drop. Yuk. Jurre had enige tijd geleden een soortgelijke schat ingevoerd en mij cadeau gedaan: Hollandsche Oude Kaas. Mjam. (Daar houden Japanners overigens wél van, dus deze moest ik nogal verborgen houden).

Voorts ben ik nu bezig met een opzet te maken voor het onderzoek dat ik hier de komende maanden ga uitvoeren. Het gaat feitelijk over Japanse schrijvers, waar Tanizaki een goed voorbeeld van is, die zich in hun werk afvragen of de 'verwestersing' van Japan wel echt mogelijk is. Hij realiseert zich echter ook dat het niet meer mogelijk is om terug te keren naar een premodern Japan dat van westerse invloeden ontdaan is. Hij onderzoekt vermoedelijk wat Japan dan wel kan zijn/worden als het niet westers is maar ook niet traditioneel Japans. Heftige kost dit alles, dus Helma, Ruth Rendell en de Sudoku waren zeer welkom om mij nu en dan te vertreden. Ik vermoed dat ik na één hoofdstuk de eerste zak drop al leeg zal hebben.

maandag 5 september 2011

Sober en simpel: de Japanse kracht van verbeelding



Hoe simpel kan het zijn? In een zee van grind ligt in alle soberheid een zevental stenen op een tegel gerangschikt. Onmiskenbaar wat ze in gezamenlijkheid verbeelden.



Ook deze beide foto's werden door mij in Nikko genomen. Geluk zit in kleine dingen, tussen alle overdonderende pracht van ornamenteel houtsnijwerk en bulderend bladgoud keek zij mij aan. Ik heb haar mateloos bewonderd, bewonderd om haar eenvoud en kracht. Tenslotte heb ik bedacht dat zij in Japan goed af is: in Nederland zou ze geen 400 jaar oud kunnen worden. Binnen eerder 4 uur zou een onverlaat haar omver hebben geschopt en botte bewondering hebben geoogst van schril lachende vrienden.

vrijdag 2 september 2011

Gewijde grond: Nikko revisited

Op twee en een half uur noordwaarts reizen met de comfortabele bullettrain ligt de stad Nikko, met de Toshogu-schrijn waar de as van Tokugawa Ieyasu wordt bewaard. Mijn studievriend Jurre houdt zich bezig met de geschiedenis van het shogunaat en wilde zijn korte bezoek aan Japan graag afsluiten met het ronddolen in het mausoleum van de belangrijkste shogun, de eerste die van een losse verzameling rivaliserende rijkjes een verenigd Japan maakte. Het door Ieyasu gestichte Tokugawa-shogunaat overleefde tot het midden van de negentiende eeuw. Terwijl Japan in die periode volledig was afgesloten van de buitenwereld, kende het vrede en stabiliteit. Voor dit soort kernwaarden kom ook ik graag mijn bed uit, ik ging met Jurre mee.

In 2006 was ik voor de eerste keer in Nikko. De titel-afbeelding van deze blog is een foto van dit eerdere bezoek. Wij mannen van Omes beschouwen deze foto nog steeds als de mooiste ooit door ons genomen en beschouwen ons bezoek aan de Toshogu en al die andere tempels en schrijnen die zich tegen de heilige berg vleien, als een van de belangrijkste redenen om ons te blijven bekwamen in de Japanse taal en cultuur. Het was uiteindelijk Nikko dat ons Japan in zoog. Nikko is voor alle Japanners gewijde grond, maar ook voor ons bijzonder.

Nikko is tegenwoordig synoniem met de Toshogu-schrijn, maar al vanaf de 8e eeuw was de berg naast de stad een veelbezochte plaats. De plek was al eerder befaamd en een must-have-been. Een boeddhistische monnik, Shodo Shonin, richtte er een bedevaartsoord op. Wie uit de trein stapt komt Shodo tegen. Zijn standbeeld verwelkomt je.





De Shihonryu tempel die door Shodo werd opgericht als de hoofdtempel van de Tendai sekte, ontwikkelde zich in de loop der eeuwen tot wat vandaag het Rinno-ji tempelcomplex wordt genoemd, met een hoofdtempel en 15 kleinere gebouwen. Op het terrein van de tempel worden fraaie voorbeelden van Japanse tuinen zorgvuldig onderhouden. Wie een beeld in gedachten heeft van typisch Japanse landschaptuinen, met rondgeschoren azalea's en rhododendrons, heeft zich dat beeld vermoedelijk gevormd met behulp van de vele foto's die van deze modeltuinen gemaakt worden.











De Futarasan jinja is vermoedelijk de mooiste schrijn van Japan. Midden in een woud van cryptomeria's, Japanse ceders, met geen ander geluid dan dat van de semi, de cicaden. De strakke lijnen van langgerekte oudrode paviljoens kruisen met torenhoge, rechtopgaande oeroude en even rode cederstammen. Hier wordt de aarde gevierd in alle stoerheid en soberheid. Hier wordt eer bewezen aan de kami, hier aard je.
De talloze torou en lantaarns zijn zonder uitzondering alle prachtig overdadig bemost en lijken als paddestoelen overal rond de bomen uit de grond te schieten. Nergens op de wereld ruikt het zo naar bos. Het complex ademt rust en vertelt dat het er altijd al is geweest en ook altijd zal zijn. Aan alle takken van alle struiken zijn gevouwen papieren wensjes en gebeden bevestigd. Als het hier niet lukt, lukt het nergens, zoveel is zeker.


In tegenstelling tot de vorige keer regende het ditmaal niet.

Naarmate je hoger klimt op de heilige berg wordt de architectuur uitbundiger en wellicht kitscheriger. Uiteindelijk waan je je in China of Korea. In het Toshogu-complex werd 500 kg goud en 370 kg zilver verwerkt. Overigens bevindt zich in Nikko niet alleen het mausoleum van Ieyasu, ook de kleinzoon Iemitsu heeft er zijn laatste rustplaats in de Taiyuinbyo. (Jurre kon er zijn hart ophalen!) Iemitsu liet gedurende 20 jaar de Toshogu bouwen om zijn grote opa te eren en besloot er zelf ook een 'tempeltje' voor hem zelf bij te zetten. Qua grandeur wint opa met vlag en wimpel, maar de Taiyuinbyo doet er niet echt veel voor onder. De pracht en praal wordt niet alleen benadrukt door het glimmende goud en zilverwerk, maar ook door de (wellicht) overkill aan ornamentiek van dakdragende constructies en houtsnijwerk. Er is geen vlak stukje onbewerkt hout te vinden, en de daken beuren op van de draken.










PS: Veel meer foto's staan op flickr. Klik hier om ze te bekijken!

Na een stevige klimpartij door een cederbos arriveer je uiteindelijk hoog boven de schrijn, op de berg, bij de laatste rustplaats van de shogun, wiens as er wordt bewaard in een enorme bronzen urn.
Ik realiseer me dat dit de tweede keer binnen een week is dat ik me dicht bij de hemel bevindt. Waar de eerste keer bevredigend is voor het individu dat een afmattende sportieve prestatie heeft voltooid, vier je hier in stille gezamenlijkheid de geschiedenis van Japan. Gewijde grond. Ik ben blij dat ik hier ben.