zondag 20 januari 2013

Rent a Family, Inc.

“Is dit normaal in Japan?”, las ik afgelopen donderdag op de mediapagina van NRC Handelsblad. Oei. Waar dergelijke berichten meestal betekenen dat BNN weer een schreeuwerig programma over de (goed, vrij excentrieke) Japanse pornoindustrie heeft gemaakt, betrof het hier een reactie op de door de VPRO uitgezonden film ‘Family On Rent, Inc.’. 

De documentaire van de Deense filmer Kaspar Astrup Schröder focust op Ryuichi Ichinokawa. Deze ogenschijnlijk doodnormale veertiger verhuurt zichzelf als familielid naar keuze. Zo speelt hij de vader van een meisje dat samen wil wonen met haar vriend, maar dit haar echte vader niet durft te vragen. Aangezien haar vriend persé de toestemming van haar vader wil, besluit ze Ichinokawa te bellen. Tien minuten later is het geregeld.

Dat is voor ons al geen alledaags tafereel, maar nog terwijl je je afvraagt of die jongen niet ontzettend boos zou worden als hij erachter komt dat hij voor de gek is gehouden, is Ichinokawa alweer onderweg naar de volgende klus. Plaats van bestemming: Sendai, waar hij met zijn bijna 30(!) werknemers de familie van een bruid zal spelen. En ook daar heeft niemand iets door. Maar: Ichinokawa’s vrouw en kinderen gek genoeg ook niet. Zijn echtgenote wíl zelfs niet eens weten wat voor werk haar man doet, “zolang de rekeningen maar betaald kunnen worden”.
 

Het wrange is dat Ichinokawa gedurende de documentaire zelf alsmaar ongelukkiger wordt. Hij en zijn vrouw slapen al jaren niet meer in één bed, zijn zoons praten niet met hem en tot overmaat van ramp raakt hij ook nog zijn bijbaan als pakketbezorger kwijt. Als hij zich daardoor gedwongen ziet om zijn vrouw toch op de hoogte te brengen van zijn beroep, is ze ogenschijnlijk niet eens heel boos. “Dat komt vanavond wel”, waarschuwt Ichinokawa de kijker droog.

Inmiddels verwacht je een bijzonder somber einde – niet in de laatste plaats omdat Ichinokawa zich hardop afvraagt of zelfmoord geen optie is – maar dat blijft gelukkig uit. Plotseling lijkt het namelijk alsof Ichinokawa het wel weer ziet zitten. Dat het einde je als kijker een beetje overvalt komt waarschijnlijk doordat de VPRO de oorspronkelijk langere documentaire met de helft heeft ingekort. Maar ik betwijfel ten zeerste of uit de stukken die weg zijn geknipt wel wat context duidelijk wordt.

Want: is dit normaal in Japan? Het lijkt er in ieder geval op dat het dat wel wordt. Volgens dit Guardian-artikel uit 2009 zitten bedrijven als dat van Ichinokawa – die in het artikel ook weer voorbijkomt – behoorlijk in de lift. De journalist van dienst verklaart dit door de in de Japanse cultuur diepgewortelde afkeer van het publiekelijk uiten van problemen op zowel privé- als professioneel gebied. In de Japanse eercultuur houdt men in veel gevallen liever de schijn op dan dat er eerlijk voor bepaalde zaken wordt uitgekomen.

Of dat goed of slecht is, laat ik in het midden. Wat echter zeker is, is dat dit verschijnsel lang niet door iedereen begrepen wordt. Onlangs had Jort Kelder het in De Wereld Draait Door nog over Japan, "een Aziatische cultuur vol schaamte". Hij toonde daarbij een pijnlijk fragment uit 1997 van een zojuist aangetreden bankdirecteur die ten overstaan van de media de fouten van zijn voorganger op zichzelf betrekt. De man is buiten zichzelf van schaamte en verdriet. Er wordt door het publiek in de studio lacherig op gereageerd, wat duidelijk maakt dat niemand ziet dat deze man zojuist het allerergst mogelijke is overkomen: hij is zijn eer verloren. En dat kan maar één keer.

Ichinokawa heeft een gat in de markt gevonden.

donderdag 17 januari 2013

Geloof is geen kwestie van keuze

Vandaag viel mijn oog op een artikel in de NRC-Next waarin een pastoor zijn afvalligen de volgende heftige brief stuurt:

"U kunt nu geen enkel sacrament meer ontvangen, waarin Christus u tegemoet wil komen. U kunt geen kerkelijke uitvaart meer krijgen. U wijst Christus en Zijn kerk af. Ik ben bang dat u uzelf het eeuwig leven niet waardig keurt en de toegang tot het eeuwig leven en de verrijzenis hebt geblokkeerd. Daarmee raakt u in de eeuwige vergetelheid, waar niemand u ooit nog zal missen. Ik kan u alleen maar het advies geven u te bekeren tot Jezus Christus om tot Leven te komen. Met pijn over het onheil, dat u over uzelf hebt afgeroepen, neemt de kerk van u afscheid."

Er dient dus door de geadresseerde blijkbaar een zeer bewuste keuze te worden gemaakt, waarbij de pastoor in kwestie in ferme taal aanraadt om vooral de enig juiste beslissing te nemen. De pastoor speelt vaag met vuur. Ook hij kan niet wéten, wat de consequenties zijn van de voorliggende keuze.

Laten we het beklemmend advies van de "goede herder" eens in de wind slaan en doorexerceren wat er mogelijk gebeurt. U – Nederlander – komt te overlijden en meldt zich aan de hemelpoort. Daar is het loket onbemand, Petrus is allang ge-outsourced en vervangen door een callcenter in India. U toetst de F9 in op het paneel van de telefoon op het –zwevende? - tafelblad en een van de medewerkers staat u – na enige minuten te hebben geluisterd naar koormuziek - te woord in een voor u vreemde taal. Natuurlijk, door het te weinig aantal overgebleven gelovigen in Nederland is het Nederlands weggesaneerd. U zult het in het - kies een 1 voor Engels - moeten doen of in het - kies een 2 voor Hindi. Zou het goed komen? U beschikt niet over een pas. Niet aan de poort, maar nu – hier in het hiervoormaals - ook immers niet. Vermoedelijk loopt het mis op de communicatie. Of eigenlijk op de excommunicatie.

Nederland is het land van de bewuste keuzes, liefst in zwart-wit. Je hoort er bij of je hoort er niet bij. Als je er niet bij hoort, roep je hel en verdoemenis over je af. Oei!

In Japan worden de keuzes minder uitgesproken gemaakt. Een Japanner staat weliswaar ingeschreven in het register van zijn Boeddhistische tempel, maar voelt zich ook welkom in een Shinto-heiligdom. En als er getrouwd moet worden, wordt er zonder een spier te vertrekken gebruik gemaakt van de uiterlijkheden van de christelijke bruiloft, zonder dat hier een doop of belijdenis aan vooraf heeft hoeven gaan. Japanners gebruiken de riten van christendom, boeddhisme en Shinto door elkaar, op basis van wat hen voor de voorliggende belangrijke gebeurtenis het meest aanspreekt.

Deze pragmatische levenshouding betekent niet dat men in Japan minder oprecht is, maar geeft aan dat het een het ander niet hoeft uit te sluiten.

woensdag 2 januari 2013

Vuurwerk versus Hanabi

Oudjaarsavond in Nederland. De nieuwslezer van het 18 uur journaal kondigt aan dat het nieuwe jaar in het Oosten al is begonnen. Dit maal – zo wist hij – begon het inluiden op een klein eilandje in de Stille Zuidzee, waarna Nieuw Zeeland, Australië, Japan en China aan de beurt waren. Met beelden werd zijn verhaal ondersteund. Wat viel daarbij op? Dat in Samoa, Australië, Nieuw Zeeland en China enorme vuurwerken werden afgestoken terwijl in Japan werd volstaan met 108 slagen op een tempelbel. Sober. Plechtig, genoeg om het moment te markeren. 



Terwijl hier in de wijk jongetjes met schoudertassen vol knalwerk al úren door de straten struinen en hun handen - maar in elk geval hun oren – danig in de waagschaal stellen, luiden ze in Japan een collectieve klok. Eenmaal. Dat zou hier niet kunnen. Om iets voor twaalf wordt de champagne ontkurkt, ingeschonken en toegevoegd aan de reeds genoten krat bier, wordt gezoend en onmiddellijk naar buiten gegaan om ofwel het vuurwerk zelf af te steken ofwel er naar te gaan kijken, in een cirkel van 360 graden. Wie niet afsteekt, probeert de vaders en zonen te beschermen en in elk geval ook de auto. Ook de hond moet worden veiliggesteld, de valiumdosis opgehoogd. Er is gewoon te weinig tijd om op dat moment samen voor de TV te zitten. Bovendien zou dat ook niet iets van gezamenlijk gevoel opleveren. De talloze Nederlandse TV-netten zenden een brei van oninteressant vermaak uit en appelleren niet aan zo'n gezamenlijk gevoel van welbehagen.

Vuurwerk is in zijn oorspronkelijke betekenis bedoeld om boze geesten af te weren. In Nederland is het middel een doel op zich geworden. Hier zijn het de boze geesten zélf die het vuurwerk afsteken. Brievenbussen, prullenbakken en ander straatmeubilair moeten worden beveiligd tegen bewuste vernieling. Vuurwerk is hier vooral knalwerk, waarbij de grootte van de dreun naarmate de jaren vorderen steeds meer is toegenomen. Waar vroeger een klapperpistool werd vervangen door een pukkel met rotjes die nonchalant werden rondgestrooid, is nu een steekwagentje nodig om de bommen door de wijk te vervoeren. Op Oudjaarsdag bevinden we ons in een oorlogszone en vermijden we de fiets, die als een interessant bewegend doelwit wordt gezien.



Vuurwerk is een universeel ding. Overal zijn boze geesten, die verdreven moeten worden, of evenementen die met vuurwerk extra luister moeten worden bijgezet. Zo ook in Japan. In Japan wordt ook vuurwerk afgestoken, maar daar ligt de nadruk op de visuele effecten, het siervuurwerk. Niet voor niets wordt in Japan vuurwerk hanabi genoemd: 'hana' (花) is het woord voor bloem, 'bi' (火) is vuur: bloemvuur dus. Vuurwerk dat in de ronde vorm van chrysanten en pioenrozen uiteenspat is daarbij favoriet.

In Japan is vuurwerk echter vooral een zómerding. De overgang van het oude naar het nieuwe jaar ontaardt daar niet in de gekte zoals die bij ons plaats heeft. Dat zal te maken hebben met het feit dat in Japan het nieuwe jaar eigenlijk op een ander – later – moment gevierd wordt. Japan als pragmatische handelsnatie heeft zich eind negentiende eeuw slim aangepast aan de westerse jaartelling, maar voelt niet de intrinsieke betekenis die wij aan dit moment toekennen. In Japan wordt ook – zeker sinds maart 2011 - collectief gevoeld dat de vele miljoenen die aan vuurwerkverkoop besteed worden beter benut zouden kunnen worden voor andere meer opbouwende doeleinden.

Vuurwerk wordt niet massaal door een ieder individueel afgestoken: Japan geeft de voorkeur aan centraal georganiseerde vuurwerkshows, door professionals opgebouwd en afgestoken. Ook dan is het vuurwerk doel op zich, men gaat naar het vuurwerk kijken. Het is niet de laatste act in een reeks handelingen zoals bij de opening van de Olympische Spelen. Het is een vuurwerkshow, een evenement op zich.

Gedurende juli en augustus worden door het hele land honderden vuurwerkshows georganiseerd, waarbij sommige honderdduizend bezoekers trekken. Zelf waren we getuige van het Sumidagawa vuurwerkfestival. Drommen mensen komen overdag al samen rond de oevers van de Sumida rivier in Tokyo. Relaxed in feestsfeer en feestkleding. Aan stalletjes worden souvenirs en etenswaren gekocht, een meegebracht kleedje uitgerold om het plekje te markeren dat tijdelijk van jou zal zijn om te genieten van het vuurwerk dat gedurende twee uren na zonsondergang vanaf boten in de rivier zal worden gepresenteerd.



Deze vuurwerkfestivals zijn om twee redenen een goed idee. Ten eerste wordt niet iedereen snipverkouden - want drijfnat van de regen - tijdens de jaarwisseling. Ten tweede wordt op deze manier ook de beschikbaarheid van vuurwerkprofessionals goed verdeeld. Er zijn meer festivals dan vuurwerkers. Ze zouden nooit tegelijkertijd in elk dorp, in elke stad een vuurwerkshow kunnen verzorgen.

En dan nog dit: wie mag het allemaal opruimen? Waar elke Nederlander graag zelf aan de knoppen zit bij het afsteken van het spul, wordt de vanzelfsprekendheid om het ook zelf weer op te ruimen aanzienlijk minder gevoeld. Japanners ruimen zelf op, of organiseren het met de buurtvereniging. En laten het niet aan het spel der vrije krachten over.

zondag 23 december 2012

Yasunari Kawabata

Tot nu toe zijn op dit blog voornamelijk cultuurverschillen tussen Nederland en Japan en onze reisverslagen aan bod gekomen. Aangezien ik momenteel voor mijn scriptie bezig ben met moderne Japanse literatuur uit het begin van deze eeuw, wil ik jullie graag een beknopt overzicht van het leven van schrijver Yasunari Kawabata bieden. Ik hoop dat jullie hierdoor niet alleen gestimuleerd worden om een werk van één van Japan’s beroemdste schrijvers te lezen, maar ook een idee krijgen waarom Japan en haar cultuur mij zo blijft boeien.

Yasunari Kawabata werd in 1899 in Osaka geboren, in een familie die reeds sinds lange tijd haar aristrocratische wortels kwijt was. Zijn jeugd werd gekenmerkt door een stroom van tegenslagen. Zijn vader, een dokter met een broze gezondheid, overleed toen hij twee was. Kawabata’s moeder liet een jaar later het leven. Toen de jonge Kawabata daarop bij zijn grootouders in Osaka zijn intrede nam moest hij al snel afscheid nemen van zijn grootmoeder en zusje en bleef alleen achter met zijn blinde grootvader.

Kawabata was een fijngevoelige jongeman die vaak wegbleef van school. Hij verkoos studie van de Japanse klassieken boven de omgang met leeftijdsgenoten. Ondank de overtuiging dat ook hij was voorbestemd om een vroegtijdige dood te sterven, slaagde Kawabata er in om een schrijver te worden in zijn vroege tienerjaren. Naar verluid wilde hij de luister en rijkdom die de familie in grootvaders dagen had gekend in ere herstellen. Toen Kawabata’s grootvader overleed in 1914, werd de schrijver in de dop een echte wees, die achterbleef zonder naaste familie.

Kawabata verhuisde naar Tokyo in 1917 om de middelbare school te bezoeken en startte in 1920 met een studie aan het Engels department van de Universiteit van Tokyo. Daar hielp hij om Shinshichō, het literaire tijdschrift waarin Kawabata debuteerde, opnieuw leven in te blazen. Kawabata zou gedurende zijn leven actief betrokken blijven bij literaire tijdschriften. Ook was hij lid van de jury die de eerste Akutagawa prijs toekende in 1935 en hielp hij de carrières van vele jonge schrijvers een duwtje in de goede richting geven.

Kawabata’s eigen carrière nam een aanvang halverwege de jaren ’20. Nadat hij in 1925 een dagboek publiceerde over het leven met zijn grootvader, volgde het volgende jaar één van zijn meest beroemde werken, De Danseres van Izu (伊豆の踊り子. In deze novelle wordt het verhaal van de onbeantwoorde liefde van een middelbare scholier voor een danseres die optreedt met een rondreizende groep muzikanten beschreven. Het werk was een doorslaand succes en bleek de eerste incarnatie te zijn van Kawabata’s meest geliefde thema “De ontdekking van een maagdelijke meisje van eenvoudige komaf door een uit gestudeerde man uit de grote stad. Ook schreef Kawabata in deze jaren het script voor de film Een Bladzijde van Waanzin(狂った一ページ), een film die zich afspeelt in een op hol geslagen gekkenhuis, schreef hij een aantal korte verhalen over de snel veranderende stad en publiceerde in delen De Scharlaken Bende van Asakusa (浅草紅団), dat een collage van het leven in de Dancehalls en café’s in Tokyo’s vermaaksdistrict aan de lezer bood.

In 1934 begon Kawabata aan Sneeuwland(雪国)te werken. Het verhaalt van de hopeloze
liefde tussen een welgestelde toneelrecensent uit Tokyo en een Onsen-Geisha uit de bergen van Niigata. Het kwam uit in 1937, waarna in 1948 een herziene versie werd gepubliceerd. Kawabata’s manier om zijn romans te schrijven, was behoorlijk ongebruikelijk. Hij schreef een boek nooit met een strak plot, van begin tot einde. In plaats daarvan schreef hij een episode, publiceerde deze en voegde daar weer een nieuw hoofdstuk aan toe zodra hij inspiratie kreeg. Hij verklaarde tenslotte een werk als voltooid, wanneer hij aanvoelde dat het zijn definitieve vorm had bereikt.

Kawabata’s werk belichaamt volgens sommigen de kern van de Japanse ziel. Dit, omdat zijn dubbelzinnige en gefragmenteerde manier van schrijven meer met de traditionele Haiku poëzie van doen lijkt te hebben dan met modern proza. Men moet echter oppassen om in Kawabata niet louter een vertegenwoordiger van Japanse schoonheid te zien. Gedurende de jaren 20 probeerde Kawabata namelijk bewust om technieken uit het Europese modernisme in de Japanse literatuur te verwerken, terwijl spaarzame dialogen, de afwezigheid van commentaar en plotselinge veranderingen van tijd en plaats veel gemeen hebben met de zich dan ontwikkelende techniek van de cinema.

Gedurende de oorlog werd Kawabata opgeroepen om verschillende plichten te vervullen voor het militaire bewind: hij moest de dagboeken van soldaten die op het punt stonden naar het front te gaan bewerken, Japan’s veroveringen in China vanaf het slagveld verslaan en in april 1945 tijd doorbrengen bij het Kamikaze corps op Kagoshima. Edward Seidensticker, die Kawabata naar het Engels vertaalde, suggereerde dat Kawabata niets van doen wilde hebben met nationalistische sentimenten en alles van een afstand gade sloeg. Echter, het is niet onaannemelijk dat Kawabata middels zijn berichtgeving het militaristische bewind steunde.

Toen Japan op de knieën werd gedwongen door de geallieerden, startte Kawabata een uitgeverij om
vooroorlogse literaire meesterwerken uit te brengen en een tijdschrift om nieuw schrijverstalent een kans te geven. In de vroege jaren 50 publiceerde Kawabata De Meester van het Go-spel(名人), Duizend Kraanvogels(千羽鶴)en Het Geluid van de Berg(山の音). Deze werken zijn trouw aan zijn opmerking dat hij ‘na de oorlog niet anders kon dan klaagzangen over het verdwijnende na-oorlogse Japan te schrijven’, en behandelen de dood, bedriegerij en het verdwijnen van traditie. Latere werken uit de jaren 60 als De schone slaapsters(眠れる美女)handelen over de emotionele isolatie en fysieke impotentie die mannen in de herfst van hun leven overkomt.

Kawabata’s werken zijn vanaf het midden van de jaren 50 vertaald en zijn reputatie, geholpen door zijn functie als ambassadeur van de Japanse literatuur, verspreidde zich snel naar het buitenland. Internationale erkenning leverden Kawabata de Nobelprijs voor de literatuur van 1968 op, maar Kawabata’s gezondheid nam snel af en de zelfmoord van zijn protégé, schrijver Yukio Mishima, bracht hem een emotionele klap toe. Op de avond van 16 april 1972 begaf Kawabata zich naar zijn schrijfkamer in Kamakura en beroofde zichzelf van het leven.

Dat de werken van Kawabata een complexe persoonlijkheid weerspiegelen, moge nu wel duidelijk zijn. Ook is goed terug te lezen hoe Kawabata worstelde met het verdwijnen van Japanse literaire tradities, maar desalniettemin probeerde om een nieuwe Japanse literatuur te beginnen waarin hij het moderniserende Japan kon vangen. Zijn omvangrijke oeuvre is daarom een laatste manifestatie van een verdwijnende tradtie, alsook een poging om die traditie te transformeren in een stijl die de tand des tijds kan doorstaan.

donderdag 20 december 2012

Hoofdstedelijke statussymbolen

Binnenkort zal de heilige berg Fuji niet meer te zien zijn vanaf de straten van Tokyo. Althans, zo kopte de krant The Japan Times. Inwoners van de Japanse hoofdstad zijn daar, zo blijkt uit het artikel, nogal van ondersteboven. Waarom?

Fujisan, met zijn 3776 meter de hoogste piek van Japan, is een berg zoals ieder kind deze zou tekenen: perfect driehoekig van vorm, de top immer met sneeuw bedekt. Omdat de slapende vulkaan zo hoog boven zijn omgeving uittorent is hij – als het helder weer is en er geen smog in de lucht hangt – vanuit de wijde omgeving te zien. Ook vanuit het ruim 100 kilometer verderop gelegen Tokyo.


Fujisan vanuit Fujimizaka, Tokyo

Om te begrijpen waarom deze berg per sé te zien moet zijn kan wat achtergrond geen kwaad. in de Edo-periode (1603-1868), toen de centraal gelegen stad Kyoto nog de hoofdstad van Japan was, ontleenden de inwoners van het oostelijk gelegen Edo (zoals Tokyo toen heette) status aan de berg. Niet voor niets figureert Fuji in veel van de werken van de bekende houtsnedekunstenaars Katsushika Hokusai en Utagawa Hiroshige. Met name Hiroshige’s serie 36 uitzichten op Fuji geeft een goed beeld van de vele plekken van waaruit de berg destijds te zien moet zijn geweest. Het ontbreken van zowel hoogbouw als smog speelde daarbij een belangrijke rol.


Fujisan vanuit Nihonbashi, Edo-Tokyo (Hiroshige)

Maar die tijden zijn voorbij. Miljoenenstad Tokyo barst onderhand uit zijn voegen, dus bouwt men steeds verder de hoogte in. Ook in Arakawa-ku, de laatste wijk van waaruit Fuji op straatniveau te zien was. Het uitzicht vanaf de zogenaamde Fujimizaka (富士見坂, letterlijk: ‘Fuji-bekijk-berg’) dreigt nu dus te worden geblokkeerd door een nieuw appartementencomplex. En daar is men op zijn zachtst gezegd niet blij mee.

Dat Fuji vanaf de steeds hogere gebouwen ook prima te zien is, telt niet. Juist het idee dat de heilige berg vanaf de straat bekeken kan worden appelleert aan de hoofdstedelijke trots. Dat dit in de praktijk nog maar vanaf één speciaal daar naar genoemde plek mogelijk is maakt niet uit: vanuit Tokyo is Fuji te zien. En vanuit Kyoto niet.

Want de onderlinge gezonde rivaliteit uit de Edo-periode is blijven bestaan, is mijn ervaring. Zo werd mij, toen ik in 2010 in Kyoto verbleef, door mijn Tokyo-vrienden toevertrouwd dat men daar veel onbeleefder zou zijn in het verkeer. Of dat zo is weet ik niet, ook al heb ik in drie dagen in Kyoto meer bijna-aanrijdingen gezien dan in twee maanden in Tokyo. Stom toeval?

Hoe het ook zij: in het geval dat Fuji daadwerkelijk uit beeld verdwijnt, heeft de hoofdstad altijd nog de Tokyo Sky Tree achter de hand. Dat men trots is op deze 634 meter hoge televisietoren bleek wel in 2011, toen ik met een bevriende Japanse familie de nog in aanbouw zijnde toren ging bekijken. De constructie zou pas een half jaar later worden geopend, maar dat was niet te merken: de merchandise vloog de winkels al uit, parkeerplaatsen in de buurt van de toren waren zeldzaam, en – leve Japan - speciaal daarvoor aangestelde wachten spoorden voetgangers aan om niet te lang in bewondering omhoog te staren en zo de stoep te versperren. Zie ook een eerdere blog van ons.

Toen ik daar, omringd door goedkeurend knikkende Japanners, naar boven stond te kijken beschouwde ik de Sky Tree als iets waar heel Japan trots op kon zijn. Na het bericht over de boze reacties op de uit beeld verdwijnende Fuji weet ik dat echter zo zeker niet meer.

dinsdag 18 december 2012

Reclame in Japan

Nieuwsgierig klik ik op de link. In beeld verschijnt een bos. De camera duikt onder het bladerdak, en ik zweef over een tientallen meters lange houten xylofoon, gebouwd tegen een heuvel. Op de top haalt een Japanse man een houten balletje uit een doosje en laat het naar beneden rollen. In de bijna drie minuten die het erover doet om bij het uiteinde te komen, is een nagenoeg perfecte woodblock-variant van J.S. Bach's ‘Jesu, Joy of Man’s Desiring’ hoorbaar. Van het doel of de context van het filmpje heb ik geen flauw idee, tot aan het einde blijkt dat het een reclame is. Voor een mobiele telefoon met een houten achterkant.



In Nederland hebben reclames normaal gesproken te maken met het product waarvoor reclame gemaakt wordt. Zo niet in Japan, het land van de meesters van de vreemde commercials.

Neem bijvoorbeeld de reclamecampagne van Softbank, een Japanse telecommunicatiegigant. Al sinds 2007 wordt de hoofdrol hierin vervuld door het personage Otosan Shirato. Zo’n langlopende campagne zou niet heel bijzonder zijn geweest – denk aan de Albert Heijn-man – ware het niet dat Otosan Shirato een witte pratende hond is. Bovendien is hij het hoofd van een familie, die verder bestaat uit zijn Japanse vrouw, dochter en afro-amerikaanse zoon. Het allerbeste hieraan: niemand kijkt er raar van op. Als Otosan een operatie ondergaat, gebeurt dat in een gewoon ziekenhuis. Als Otosan besluit dat hij de ruimte in wil, zit hij in het volgende shot doodleuk in een astronautenpak achter een module in een ruimtecapsule. The Japan Times becijferde in april van dit jaar dat het aantal avonturen van Otosan Shirato en zijn familie op 133 stond. Mede dankzij de witte hond wist Softbanks mobiele tak binnen 6 jaar uit te groeien tot de op één na grootste provider van het land.

Een ander voorbeeld: Boss Coffee van drankenfabrikant Suntory. Toen ik in 2006 voor het eerst naar Japan reisde heb ik een zomer lang lol gehad om de geniale marketing van dit product. Op elk blikje koffie is namelijk het gezicht van een pijprokende man afgedrukt, met daaromheen de woorden: ‘SUNTORY BOSS is the boss of them all since 1992’. Ik heb sindsdien een hoop fantastisch ‘engrish’ gelezen, maar dit steekt toch wel met kop en schouders boven de rest uit. Het slaat zo ontzettend nergens op. Wie is de baas? En over wie is hij de baas? En op welk terrein? Niemand weet het. En net toen ik dacht dat het niet beter kon, werd later dat jaar de Amerikaanse acteur Tommy Lee Jones het gezicht van het drankje. In gedachten zag ik Bill Murray voor me die in ‘Lost in Translation’ een reclame voor Suntory Whisky opneemt, en zich afvraagt waar hij in hemelsnaam in verzeild is geraakt. De stuurse blik waarmee voormalig Oscarwinnaar Jones zich door de filmpjes heen worstelt, zegt wat dat betreft veel.

Bovenstaand plezier zou niet mogelijk zijn geweest zonder reclamebureau Dentsu. Deze reus is in zijn eentje verantwoordelijk voor meer dan één derde van de Japanse reclames. Zo komen Otosan en Boss Coffee uit de koker van reclameman Hiroshi Sasaki, een inmiddels ex-medewerker van Dentsu. Dat het bedrijf van meer markten thuis is, blijkt uit een stuk op website Tofugu. Zo huurde de Japanse overheid het in om tijdens lokale referenda zogenaamde lokale bewoners het bestaande beleid te laten steunen. En dat niet alleen: weblog Mutantfrog citeert uit het in 2005 verschenen boek ‘Dentsu’s True Colors: The Media Industry’s Greatest Taboo’. Daarin wordt beschreven hoe Dentsu LDP-premier Junichiro Koizumi vanaf het begin van diens ambtsperiode adviseerde over diens imago en mediaoptredens. Goedbeschouwd zou je Koizumi’s succesvolle premierschap één grote reclame kunnen noemen.

Maar goed. Het is, deze dubieuze praktijken daargelaten, te hopen dat de Japanse talentvolle reclamemakers hun weg naar de rest van de wereld weten te vinden. Softbank nam onlangs een groot Amerikaans telecombedrijf over, dus de kans bestaat dat Otosan en zijn wonderlijke familie het in de Verenigde Staten gaan proberen. Van mij mogen ze.

Ten slotte een tip: voor wie net als ik geen genoeg kan krijgen van al die fantastische filmpjes, maakt YouTube-user JPCMHD iedere twee weken een overzicht van de leukste reclames van het moment. Te zien in onderstaande aflevering: onder andere maïskorrels die luid zingend in soep zakken, R2-D2 en C3PO die een hybride Toyota aanprijzen en Nintendo’s nieuwste spelcomputer die zichzelf aan de kijker voorstelt. Aanrader!

zondag 16 december 2012

Dingen die je mist: de Kohaku Uta Gassen

Op Oudejaarsavond zullen we ons dit jaar vermoedelijk bezig houden met oliebollen, de zoveelste eindejaarsconference of een ander door Nederland belangrijk geacht televisiespektakel. Wij denken dan met weemoed terug aan Oudjaar 2011, in Japan, waar de hele natie aan de buis gekluisterd is voor de Kohaku Uta Gassen. Tijdens dit wervelende, uren durende songfestival maken afwisselend fonkelnieuwe groepen, heel oude Enka en gevestigde artiesten hun opwachting. Ook wij waren totaal in de ban van Kara, Aiko, de Sukiyaki-song, en Arashi, die naast optreden ook het geheel aan elkaar praatten. Bord op schoot, bierru uit blik en genieten maar. Volop.


De Kohaku Uta Gassen (紅白歌合戦, letterlijk: 'De liedjesstrijd tussen rood en wit') is een evenement zonder weerga. De meest populaire artiesten van Japan (en sinds enkele jaren ook Korea) worden op basis van geslacht over de teams verdeeld: rood voor de dames, de heren doen het met wit.

In de daaropvolgende uren brengen de artiesten hun nummers live ten gehore. Soms is dat te horen (hier en daar namen wij onzuiverheden waar, om het maar eens voorzichtig uit te drukken), maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat dezelfde stemmen op cd ook niet altijd loepzuiver zijn. In de Japanse popmuziek gaat het, veel meer dan om zangkunsten, om de totale beleving: dans en choreografie, make-up, hairstyling, kostuums, decors en uitlichting, glitter en bling.

Het geheel wordt tussen de nummers door aan elkaar gepraat door afwisselend de captains van het rode en witte team. Vorig jaar waren dat actrice Mao Inoue voor het rode damesteam en boyband Arashi voor wit. Dat leverde dus de voor ons ongebruikelijke situatie op waarbij één meisje (Mao) steeds door vijf jongens werd onderbroken.

Na ruim vier uur (vaak komt het aantal te zingen liedjes boven de vijftig uit) bepaalt het 3000-koppige publiek samen met een vakjury welk team gewonnen heeft. Aan het oordeel van de jury mag daarbij getwijfeld worden, aangezien enig verstand van of verbintenis met de Japanse muziekindustrie allerminst een vereiste is. Op 31 december 2011 ging de overwinning naar het rode team.

We waren die avond getuige van de 62e editie van de Kohaku, die al sinds 1951 door televisiestation NHK wordt uitgezonden. Dit Japanse equivalent van de Nederlandse publieke omroep zendt niet alleen uit, maar produceert ook: dat betekent dat deelname aan de Kohaku uitsluitend op uitnodiging van NHK geschiedt.

Uiteraard vindt deze selectie plaats op basis van populariteit en kwaliteit van artiesten. Om bepaalde groepen kan men simpelweg niet heen. Echter, geheel volgens Japanse traditie, waar men niemand voor het hoofd wil stoten als dat enigszins te vermijden valt, wordt de selectie ook gemaakt op geografische en demografische gronden: artiesten worden ook zorgvuldig en evenwichtig geselecteerd op regio en op doelgroep. Zo kan het dan ook gebeuren dat relatief onbekende zangers en zangeressen zich voor de duur van één nummer aan de natie mogen presenteren.

Deelname wordt daarom altijd als een enorme eer beschouwd. Bovendien werkt het twee kanten op: enerzijds krijgt de carrière van de artiesten die op de Kohaku te zien zijn geweest een enorme boost; anderzijds weet NHK zich hierdoor altijd vóór de commerciële zenders te verzekeren van de meest populaire artiesten van het afgelopen kalenderjaar.

Want Japan zou Japan niet zijn als het evenement ongekopieerd was gebleven: op een commercieel net trad op hetzelfde moment een tweederangs garnituur aan sterren op. Wel leuk, maar niet van het niveau van de Kohaku Uta Gassen. Oneindig jammer dat we er hier niet naar kunnen kijken.

We wonen in Nederland tussen Engeland en Japan in. Waar in Engeland elke TV-persoonlijkheid bulkt van de humoristische zelfspot, wordt in Nederland door de cabaretier van dienst de draak gestoken met andermans falen, in politiek of maatschappelijk opzicht. Wie boven het korenveld uitsteekt wordt afgemaaid. De eigen positie van de conferencier staat niet ter discussie. En zo vinden wij het blijkbaar leuk.

In Japan gaat het op Oudjaar niet om politiek, en eigenlijk ook niet om humor. Ze doen gewoon met zijn allen zo mooi mogelijk hun ding. Al werd vorig jaar bij wijze van uitzondering natuurlijk wel veel aandacht geschonken aan de slachtoffers van de tsunami in noordoost Japan.

Maar dat was dan ook wel een heel uitzonderlijke gebeurtenis. Laten we luchtig eindigen: Geniet van het volgende Kohaku-voorbeeldje en la-la-la-la-la gerust mee.

zondag 27 mei 2012

Vrijstaand huis zonder tuin

In Japan staan alle huizen los van elkaar. Geen enkel gebouw deelt een muur met de buurman. Soms zit er minder dan 30 cm tussen twee buitenmuren, maar in principe staat elk huis vrijstaand. Dat heeft te maken met traditie, schade en schande. Waar eeuwenlang in hout gebouwd werd, leer je vanzelf dat niet alles in vlammen op hoeft te gaan als er brandgangen gepland worden. Waar bovendien de aarde of de wind nog wel eens heftig te keer gaat, is het ook handig om niet te grote oppervlakken aan elkaar te construeren. Voorts geeft het vrijstaand huis de bewoners ook het zeer gewaardeerde gevoel van privacy. In het westen hecht men daar evenzeer aan, de Japanner heeft echter geen tuinen van meters rondom nodig. Het concept van vrijstaan is voldoende. Zulks kan in Japan met minder dan 30 cm rondom al gerealiseerd worden.

De belangrijkste reden voor het vrijstaand bouwen van de huizen is echter dat alle groepen in de Japanse samenleving gebruik maken van het uchi (in group) en soto (out group) onderscheid. Het is goed te vergelijken met een clan waarvan de leden de in-group zijn en de niet-leden de out-group. Dit concept vindt zijn weerslag in het vrijstaand bouwen van Japanse huizen, de ene clan wil niet aan de andere clan vastzitten.

De nauwste brandgangen tref je in elk geval in de steden. Je kunt er met geen mogelijkheid tussendoor lopen. Toch is ook op het platteland de eigen ruimte om het huis niet groot. Grond is schreeuwend duur. Ofschoon Japan een groot langgerekt land is dat zich uitstrekt vergelijkbaar van Lapland tot de Rots van Gibraltar in Zuid-Spanje, is 70% van het Japanse landoppervlak niet geschikt om te bebouwen. Er zijn bovendien ook veel Japanners. Wie een stuk grond koopt zet er dan ook zoveel mogelijk huis op en stort beton er omheen, functioneel, onderhoudsvrij.

Niet iedereen heeft dus een zo tot de verbeelding sprekende Japanse tuin met vijvers, dromerige stapstenen, elegante lantaarns, gesnoeide azaleacae, rododendrons, bamboe en esdoorns. Dat kan thuis in Nederland iets gemakkelijker gerealiseerd worden. Althans qua oppervlak. In tuincentra verkrijgbare stenen tuinornamenten blijken veelal Chinees van vorm en komaf en een houten lantaarn zoals je ze rond tempels treft, is al helemaal niet te krijgen. Die zullen we zelf moeten maken. Ook al is geen van de Mannen van Omes op dit moment in Japan, het zelf bouwen van een Japanse lantaarn is een prachtige manier om er in gedachten gewoon toch te zijn. Na twee weken contemplatie, zagen, kappen, vloeken en schilderen, staat het onderstaande vrijstaand huisje in wél een tuin.

Op het internet blijkt geen bouwtekening voorhanden, niet op het Engelstalige, maar ook niet in het Japanse deel van het net. Eigenlijk geen verrassing, niemand gaat hem zelf maken in Japan, vanwege het voornoemde gebrek een ruimte, maar ook gebrek aan tijd. Foto’s zijn er wel. Met behulp van foto’s hebben we een replica of in elk geval een impressie gemaakt van de lantaarns zoals we die regelmatig in onze favoriete buurtschrijn in Nishiwaseda bezochten.

japanse lantaarn
japanse lantaarn

Geheel zoals het hoort is ook deze lantaarn in elkaar gezet zonder gebruik van schroeven en spijkers. Houtverbindingen en deuvels, daar draait het om: hout is eerbiedwaardig en dient dan ook met respect gebruikt te worden. Werken met houtverbindingen heet in het Japans Sashimono. Wie op dit woord of op “Japanese joinery” googlet of met name Youtubet, komt verbluffende staaltjes van eeuwenoud, doorgegeven vakmanschap tegen.

vrijdag 6 april 2012

In Bardo, ergens tussen Japan en Holland

Een vliegreis van Narita naar Schiphol duurt niet langer dan 11 uur. In amper een dag wordt de helft van de wereldbol overgevlogen en wordt de ene cultuur voor de andere ingeruild. Wie voor een korte vakantie heen en weer vliegt heeft hooguit last van een jetlag, Wie echter na een jaar het dagelijks leven in Japan moet inruilen voor het alledag in Nederland moet langer uittrekken. De overgang duurt op zijn minst 49 dagen. Zo iemand komt in Bardo terecht, de boeddhistische fase tussen twee levens in. Zo iemand hoort even nergens thuis. Het is niet anders.

Na ruim een jaar in Japan gewoond en gewerkt te hebben, was het tijd de thuisreis te aanvaarden. Aan de ene kant veel te vroeg, want ik ben gewend en vertrouwd met de Japanse manier van leven. Aan de andere kant miste ik mijn familie met hun betrokkenheid en grappen zeer en leek het me ook wel weer leuk om aan het veel ongecompliceerdere Nederlandse leven deel te nemen. Omdat er uiteindelijk niets anders op zat, nam ik afscheid van mijn Japanse familie en vrienden en aanvaarde ik vol goede moed de thuisreis. Na enig passen en meten met mijn koffers en het meenemen van een extra tas, kon ik de spullen die ik verzameld had in Japan mee nemen naar een hotel op Narita-airport. Na een goede nachtrust vertrok ik op tijd vanaf Narita airport en in een kleine 11 uur vloog het vliegtuig naar Schiphol. Daar aangekomen, sloot het ontvangscomité mij in de armen en spoedden we ons naar huis om weer een Nederlandse maaltijd (ic. Kroket met mosterd!) te eten en elkaars verhalen te aanhoren.

Alhoewel het op het moment van schrijven wel weer goed voelt om in Nederland terug te zijn, droom ik 's nachts over het zijn in Japan. Tokyo voelde ondanks haar hectiek en de enorme drommen mensen die zich dagelijks door de stad verplaatsten bijna sereen aan, in vergelijking met de sfeer op straat in Leiden. Hoewel de Leidse bevolking net zoveel zielen telt als de wijk Waseda waar ik het afgelopen jaar verbleef, lijkt het openbare leven niet zo gesmeerd te verlopen als in Japan. In de korte tijd dat ik hier ben, kwam ik al meer mensen met korte lontjes tegen dan ik in maanden in Tokyo heb ontmoet.

Japanners zijn natuurlijk net zo menselijk als Nederlanders. Echter, ze uiten hun woede niet met veel misbaar, maar verwerken het ongenoegen veelal onderhuids. Daardoor is het soms een sociaal mijnenveld voor de nietsvermoedende westerling, die gewend is dat men zijn gevoelens uit. Een boze Japanner zal zelden ook echt tonen dat hij boos is, waardoor snel misverstanden kunnen ontstaan als een westerling die een sociale regel overtreedt niet door heeft wat hij fout heeft gedaan. Wat dat betreft is het voor deze Nederlander een verademing om weer in Nederland te zijn, waar men direct (en veelal bot) aangeeft wanneer iets niet op prijs wordt gesteld.

Ik heb gedurende mijn jaar in Japan steevast observaties daar gekoppeld aan tegenhangers in Nederland. Deze blog staat er vol mee. Ik merk dat ik nu dezelfde blog omgekeerd zou kunnen vullen. Er is veel dat me opvalt in kleine en grote zaken, veel dat hier vanzelfsprekend wordt gevonden en het - weet ik - niet is. Voorkomende problemen worden in Nederland anders aangepakt dan in Japan. Oplossingen zijn slechts keuzes ingegeven door de eigen cultuur en het eigen denkraam.

Zit ik daarmee tussen de wal en het schip? Hoewel de cultuurschok terugwaarts nog groter is en de weemoed enorm, kom ik er wel uit. Tussen de wal en het schip verkeren is onoplosbaar, ik bedien me beter van de term bardo. Niet bewegen, afwachten en tot rust komen. Alles krijgt een plaats. Het duurt 49 dagen. Die gun ik mezelf. Tot dan!

zondag 26 februari 2012

Jizō : Roodkapje in Japan

Het moest er een keer van komen, vandaag ga ik in op de overal in Japan aanwezige roodgekapte stenen beeldjes. Waar je ook gaat, of het nu op het platteland is of midden in Tokyo, op drukke kruispunten, bij stations, in tempelcomplexen en begraafplaatsen, langs de weg of langs wandelpaden, overal zie je gezellig aandoende stenen beeldjes met een gehaakt rood kapje of een rood vestje. Steevast is de nijvere huisvlijt rood en steevast is de drager ervan een rudimentair gestyleerde monnik.

Het betreft hier een verbeelding van Jizō, de bosatsu (bodhisattva) die samen met Kannon, de Godin van Genade, de brug slaat tussen ons mensen en boeddha. Een bodhisattva is een persoon die door zijn of haar goede daden en leefwijze de verlichting heeft bereikt, maar ervoor gekozen heeft om op aarde te blijven en alle mensen te helpen dezelfde staat van verlichting te bereiken. Bodhisattva’s zijn dus lichtende voorbeelden, en gelijken de heiligen in de katholieke traditie.
Het boeddhisme kent talloze bodhisattva’s, in Japan zijn het vooral Jizō en Kannon die in het dagelijks leven worden aangeroepen.

Net als onze Roodkapje is Jizō een aangenaam mens dat het beste voorheeft met degenen die ziek of zuchtig zijn. In het geval van Roodkapje betreft het haar bedlegerige grootmoeder. Jizō zorgt vooral voor kinderen. Zieke kinderen moeten vooral beter worden en als dat onverhoopt niet lukt, is het Jizō die de overleden kinderen tijdens hun periode van overlijden en wedergeboorte behoedt. Kinderen zijn namelijk door hun korte periode op aarde nog niet in staat geweest om voldoende goed karma te vergaren om een volgend leven gegarandeerd iets beter te laten verlopen. Ouders offeren aan Jizō door middel van een mutsje, kapje of manteltje in de hoop dat Jizō op zijn beurt hun kind behoedt. De kleur rood verwijst mogelijk naar een traditie in de Asuka periode (522-645 AD) waar kinderen met ziektes als waterpokken in rode kleren gekleed werden om ze te onderscheiden van andere kinderen. Kom er maar eens op!

Jizō ziet er in zijn stylering altijd kawaii, cute of schattig uit en lijkt in niets meer op zijn oorspronkelijke gedaante Ksitigarbha die vanuit India via China de Japanse Zee overstak. Wat dat betreft is Kannon minder veranderd. Ksitigarbha was overigens een Brahmaans meisje! Er is dus ergens tijdens de oversteek wel iets ingrijpend veranderd.. Daar staat tegenover dat Kannon van oorsrpong een man was. Dus dat heft elkaar mooi op.
Onlangs was ik in Kamakura in de Hase Dera tempel. Ook daar was Jizō volop aanwezig. En wel duizend keer. De foto mag voor zichzelf spreken.


Mij viel op dat hoewel het lijf van elk beeld hetzelfde is, het hoofd steeds iets verschilt. Waarschijnlijk staat er voor een ieder van ons een eigen Jizō klaar. Dat is een geruststellende gedachte.