donderdag 27 oktober 2011

Zomaar een werkdag

Beste lezers. Na mijn voorgaande blogs over de Japanse maatschappij en de uitstapjes die ik hier zoal maak, vraagt u zich wellicht af hoe een doorsnee dag in Japan er uit ziet. Het is immers niet enkel tempels bezoeken en kersenbloesem kijken wat mij hier bracht, maar met name het leren van de Japanse taal en onderzoek doen voor de afstudeerscriptie. In de tussentijd heb ik ook nog een bijbaantje gevonden bij een Japans bedrijf, dus hierbij een verslag van een donderdag in Tokyo.

Net als in Nederland hebben de ouderejaars studenten vaak geluk met hun colleges, zodat ik niet iedere dag om 9:00u op de universiteit hoef te zijn. Vandaag was dat echter wel het geval, dus ging de wekker al om 7:30u. Natuurlijk is dit nog steeds een tijd om op te staan waar de meeste mensen jaloers op zijn, dus met deze gedachte in het achterhoofd hees ik me uit bed en verjoeg ik de dichte mist in mijn hoofd met een flinke kop nescafé. Hoewel ik me in het land van de groene thee bevind, gaat er nog steeds niets boven de ochtendkop koffie!

Vanochtend stonden twee lesuren Integrated Japanese op het programma. Deze lessen houden een mix tussen grammatica, begrijpend lezen, opstellen schrijven en spreekvaardigheid in. We lezen teksten uit een boek die daadwerkelijk in een krant of tijdschrift zijn gepubliceerd en leren om opstellen te schrijven volgens de Japanse manier, die nogal van onze westerse opbouw verschilt. Waar een westers essay in de regel de indeling inleiding, middenstuk en conclusie aanhoudt, is deze indeling in het Japans veel minder duidelijk. Delen lopen vloeiend in elkaar over en houden vaker een observerende stijl aan in plaats van het poneren van een stelling en het beantwoorden daarvan in de conclusie. Ook is logica soms ver te zoeken, de essays lijken meer op gevoel te worden geschreven en hoeven niet persé zo zakelijk mogelijk te worden geschreven. Het levert naast de nodige hoofdbrekens ook veel plezier op en ook vanochtend werd er lustig op los gepuzzeld.

Na de les van vanochtend was het tijd voor de middagpauze en ontmoette ik mijn Chinese vriend Li Mo. Toen ik hier begin dit jaar aankwam ontmoette ik hem bij de Waseda International Club, de internationale circle waar ik lid van ben. Li Mo studeert ook Japanse literatuur en had zijn vriend Nick uit Hong Kong meegenomen naar de eetzaal.
De eetzaal van Waseda is een typisch voorbeeld van de eetgelegenheden op een Japanse universiteit. Anders dan bij ons wordt er voor het eten een zeer schappelijke prijs gevraagd (400-500 yen, hetgeen omgerekend 4-5 euro is) voor een middagmaal waar je tot aan het avondeten op kunt teren. Vandaag had ik gefrituurde kip met witte rijst en tofu, maar ik had evengoed kunnen kiezen voor een heerlijke katsudon (schnitzel) of de volgens het menu zeer roemruchte stamina pilaf. Ook eigen aan Japan, maar ons geheel vreemd, is de gewoonte dat onbeperkt vullen van je beker met nieuwe water of thee bij de prijs inbegrepen is. In tegenstelling tot Nederland vult men hier niet tot op het genante af de beker ' omdat het toch gratis is' , maar houdt men het keurig netjes bij een of twee refills.

Na dit middagmaal met Li Mo en zijn vriend moest ik me naar het metrostation van Waseda om naar Takadanobaba te reizen. Daar nam ik de Yamanote-sen naar mijn werk in Ebisu. Deze dienst is het toppunt van Japanse efficiëntie. Iedere twee minuten komt een trein, waarna de deurtjes gedurende ongeveer een halve minuut openen. Zonder morren laten de mensen op het perron (die keurig in de rij staan, jawel het is echt mogelijk!) de mensen uit de trein stappen, waarna men geruisloos de trein in golft. Ook bij grote drukte gaat dit relatief soepel, zonder te morren laten mensen zich als haringen in een ton samen persen.

Eenmaal aangekomen op Ebisu dein ik mee op de grote menige salarymen die door poortjes het station uitstroomt. De salaryman is het Japanse equivalent van de Nederlandse kantoorman, al kan de eerste term beter als kantoorslaaf worden vertaald. De salaryman zit van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat op zijn kantoor. Zo ook de medewerkers van OKwave, het internetbedrijfje waar ik een bijbaantje heb. Ik beheer er de Nederlandse versie van de vraag en antwoord dienst Arigato en doe dit door via Facebook en twitter de service te promoten.
Nu ik er een paar weken werk heb ik wat meer inzicht gekregen in de Japanse manier van werken. Alle vaste krachten om mij heen zitten met een stoïcijns gezicht aan hun computer te werken en veinzen dat ze volop aan het werk zijn. In werkelijkheid valt dat wel mee, aangezien er regelmatig met de naburige collega op gedempte toon een babbeltje wordt gemaakt of er iemand anders langskomt met de vraag of er even een klusje tussendoor gegereld kan worden Uiteraard gebeurd dat in Nederlandse bedrijven ook, maar het was op zijn minst vermakelijk om de collega's aan de tafel achter mij vol geduld posters met motiverende teksten te zien maken. Het leek meer op de knutselclub dan op een volwaardig bedrijf. Echter, dergelijke kneuterigheid maakt het werken dan wel weer wat dragelijker en het 'otsukaresama' (goed gewerkt!) dat weerklonk toen ik het pand verliet maakte de dag meer dan goed.

Thuis aangekomen was het tijd om een opstel voor volgende week te corrigeren, en toen zat de dag er al weer op! Ik verlaat jullie om zo zoetjesaan mijn nest op te zoeken, maar verwacht binnenkort weer een nieuwe blog!

zondag 18 september 2011

Apenstreken op Tokyo Tower

Beste lezers. Na in de vorige twee blogs kort in te zijn gegaan op respectievelijk de stenen schildpad in Nikko en het Hollandse pakketje, wordt het tijd u weer eens op de hoogte brengen van gebeurtenissen uit het dagelijks leven. De dormitory heeft zich sinds dinsdag 6 september langzaamaan gevuld met nieuwe studenten, zodat het studentenleven voor het nieuwe semester alvast van start is gegaan. Omdat we ditmaal verschoond zijn gebleven van de gevolgen van een aardbeving zoals die in maart geschiedde, verloopt alles volgens plan en wordt er volop kennisgemaakt.

Sinds de zesde september heeft zich zo zoetjes aan een groep van Europeanen, Amerikanen en Taiwanezen gevormd. Het is steeds weer erg leuk om te merken dat mensen uit zulke verschillende landen verbonden worden door de gemeenschappelijke interesse voor Japan. Zo is er een meisje uit Rusland dat linguïstiek studeert in Moskou, maar gaandeweg Japan ontdekte en heeft besloten zich nu op de Japanse syntaxis te storten. Voorts is een Deense vast van plan om medische historie uit 17e eeuws Japan te lijf te gaan en houdt een Mexicaanse jongen het op hedendaags Japans design dat hij voor zijn media studie kan gebruiken. Uiteraard worden er niet alleen maar serieuze zaken doorgesproken, want in de avonden is er volop ruimte voor welkomstfeesten en kaartspelletjes. Zo bevonden we ons achtereenvolgens in de Izakaya (Japans equivalent van de kroeg), de karaokehal en in een kaartspel waarbij meer drank vloeide dan er punten vergaard werden.

Met name de karaokehal was een ervaring op zich. Omdat de meeste mensen in Nederland bij het woord karaoke spontaan jeuk krijgen, zal ik kort uitleggen waarom het in Japan zo mateloos populair is. Anders geformuleerd, waarom is het aantrekkelijk om in een piepklein zweterig hok hits uit de jaren '80 na te zingen? Welnu, zoals jullie ongetwijfeld weten na het lezen van mijn blog, is Japan een maatschappij waarin men weinig vrije tijd kent. Werkdagen van 9 uur tot 11 uur 's avonds zijn geen uitzondering. Het behoeft weinig uitleg dat de overwerkte salaryman tijdens de nachtelijke uurtjes weinig zin meer heeft om een vuistdikke roman ter hand te nemen. In plaats daarvan heeft men bedacht dat de tijd beter opgevuld kan worden met het gezamenlijk nazingen van liederen, het bij ons beruchte karaoke. Dit kun je alleen doen, maar het is natuurlijk veel leuker om het met je net zo overwerkte collega's te doen. Drank is in overvloed te bestellen in de hokjes, zodat alle opgekropte gevoelens die op het kantoor zijn opgelopen, hun weg vinden in hartstochtelijke en een tikkeltje valse interpretaties van Fly Me To The Moon. Op deze manier haalt men het gebrek aan momenten om zichzelf te uiten in een sneltreinvaart in.

Omdat onze groep ook zin had om de zinnen eens flink te verzetten, zetten we al onze twijfels overboord en betraden het domein van de salaryman, de Karaokehal bij het Takadanobaba station in de buurt. Na ons voor twee uur vast te hebben gelegd voor hokje nummer 640, wurmden we ons met zijn twaalven in een ietwat te kleine lift, die gelukkig wel de zesde verdieping bereikte. Bij het uitstappen klonken de 'artiesten' uit aangrenzende hokjes ons al tegemoet. Om er in te komen werden titelsongs van obscure anime vermeden en vertolkten de aanwezigen hits van de u welbekende Zweedse formatie Abba en Rick Astley. Na verloop van tijd waagde men ook voorzichtige pogingen tot Japans zingen, waarna Lady Gaga het feest mocht afsluiten. In de tussentijd echter had een collega artiest uit hokje 639 het voor elkaar gekregen een royale plak van zijn maaginhoud voor de lift uit te spreiden. Toen werd het raffinement van de karaokehal pas echt duidelijk. Het personeel strooide speciaal zand over het overgeefsel om het niet te laten intrekken en de geur weg te nemen!



Na dit karaokeavontuur beklommen we vandaag de Tokyo tower, het iets hogere zusje van de Eiffeltoren. Hoewel ik al reeds twee keer op de toren was geweest, trof ik er ditmaal het volgende schouwspel aan:

zaterdag 17 september 2011

Dutch Treats

Zoëven werd een pakketje van Helma bezorgd! Het zit boordevol drop, stroopwafels, de Ruijter broodbeleg, Werthers, Ikea-food, een Sudoku boekje en een spannende thriller van Ruth Rendell. Ben erg blij dat ik me weer aan een doos Nederlandse/Europese zaken kan laven!



Ofschoon het Japanse menu zeer aan mij besteed is, zijn evenwel dit soort lekkerheden bijzonder. Het aardige is ook dat ik het nu eens niet hoef te proberen om deze zaken uit te delen aan mijn dormgenoten: Japanners houden niet van sterke smaken en al helemaal niet van drop. Yuk. Jurre had enige tijd geleden een soortgelijke schat ingevoerd en mij cadeau gedaan: Hollandsche Oude Kaas. Mjam. (Daar houden Japanners overigens wél van, dus deze moest ik nogal verborgen houden).

Voorts ben ik nu bezig met een opzet te maken voor het onderzoek dat ik hier de komende maanden ga uitvoeren. Het gaat feitelijk over Japanse schrijvers, waar Tanizaki een goed voorbeeld van is, die zich in hun werk afvragen of de 'verwestersing' van Japan wel echt mogelijk is. Hij realiseert zich echter ook dat het niet meer mogelijk is om terug te keren naar een premodern Japan dat van westerse invloeden ontdaan is. Hij onderzoekt vermoedelijk wat Japan dan wel kan zijn/worden als het niet westers is maar ook niet traditioneel Japans. Heftige kost dit alles, dus Helma, Ruth Rendell en de Sudoku waren zeer welkom om mij nu en dan te vertreden. Ik vermoed dat ik na één hoofdstuk de eerste zak drop al leeg zal hebben.

maandag 5 september 2011

Sober en simpel: de Japanse kracht van verbeelding



Hoe simpel kan het zijn? In een zee van grind ligt in alle soberheid een zevental stenen op een tegel gerangschikt. Onmiskenbaar wat ze in gezamenlijkheid verbeelden.



Ook deze beide foto's werden door mij in Nikko genomen. Geluk zit in kleine dingen, tussen alle overdonderende pracht van ornamenteel houtsnijwerk en bulderend bladgoud keek zij mij aan. Ik heb haar mateloos bewonderd, bewonderd om haar eenvoud en kracht. Tenslotte heb ik bedacht dat zij in Japan goed af is: in Nederland zou ze geen 400 jaar oud kunnen worden. Binnen eerder 4 uur zou een onverlaat haar omver hebben geschopt en botte bewondering hebben geoogst van schril lachende vrienden.

vrijdag 2 september 2011

Gewijde grond: Nikko revisited

Op twee en een half uur noordwaarts reizen met de comfortabele bullettrain ligt de stad Nikko, met de Toshogu-schrijn waar de as van Tokugawa Ieyasu wordt bewaard. Mijn studievriend Jurre houdt zich bezig met de geschiedenis van het shogunaat en wilde zijn korte bezoek aan Japan graag afsluiten met het ronddolen in het mausoleum van de belangrijkste shogun, de eerste die van een losse verzameling rivaliserende rijkjes een verenigd Japan maakte. Het door Ieyasu gestichte Tokugawa-shogunaat overleefde tot het midden van de negentiende eeuw. Terwijl Japan in die periode volledig was afgesloten van de buitenwereld, kende het vrede en stabiliteit. Voor dit soort kernwaarden kom ook ik graag mijn bed uit, ik ging met Jurre mee.

In 2006 was ik voor de eerste keer in Nikko. De titel-afbeelding van deze blog is een foto van dit eerdere bezoek. Wij mannen van Omes beschouwen deze foto nog steeds als de mooiste ooit door ons genomen en beschouwen ons bezoek aan de Toshogu en al die andere tempels en schrijnen die zich tegen de heilige berg vleien, als een van de belangrijkste redenen om ons te blijven bekwamen in de Japanse taal en cultuur. Het was uiteindelijk Nikko dat ons Japan in zoog. Nikko is voor alle Japanners gewijde grond, maar ook voor ons bijzonder.

Nikko is tegenwoordig synoniem met de Toshogu-schrijn, maar al vanaf de 8e eeuw was de berg naast de stad een veelbezochte plaats. De plek was al eerder befaamd en een must-have-been. Een boeddhistische monnik, Shodo Shonin, richtte er een bedevaartsoord op. Wie uit de trein stapt komt Shodo tegen. Zijn standbeeld verwelkomt je.





De Shihonryu tempel die door Shodo werd opgericht als de hoofdtempel van de Tendai sekte, ontwikkelde zich in de loop der eeuwen tot wat vandaag het Rinno-ji tempelcomplex wordt genoemd, met een hoofdtempel en 15 kleinere gebouwen. Op het terrein van de tempel worden fraaie voorbeelden van Japanse tuinen zorgvuldig onderhouden. Wie een beeld in gedachten heeft van typisch Japanse landschaptuinen, met rondgeschoren azalea's en rhododendrons, heeft zich dat beeld vermoedelijk gevormd met behulp van de vele foto's die van deze modeltuinen gemaakt worden.











De Futarasan jinja is vermoedelijk de mooiste schrijn van Japan. Midden in een woud van cryptomeria's, Japanse ceders, met geen ander geluid dan dat van de semi, de cicaden. De strakke lijnen van langgerekte oudrode paviljoens kruisen met torenhoge, rechtopgaande oeroude en even rode cederstammen. Hier wordt de aarde gevierd in alle stoerheid en soberheid. Hier wordt eer bewezen aan de kami, hier aard je.
De talloze torou en lantaarns zijn zonder uitzondering alle prachtig overdadig bemost en lijken als paddestoelen overal rond de bomen uit de grond te schieten. Nergens op de wereld ruikt het zo naar bos. Het complex ademt rust en vertelt dat het er altijd al is geweest en ook altijd zal zijn. Aan alle takken van alle struiken zijn gevouwen papieren wensjes en gebeden bevestigd. Als het hier niet lukt, lukt het nergens, zoveel is zeker.


In tegenstelling tot de vorige keer regende het ditmaal niet.

Naarmate je hoger klimt op de heilige berg wordt de architectuur uitbundiger en wellicht kitscheriger. Uiteindelijk waan je je in China of Korea. In het Toshogu-complex werd 500 kg goud en 370 kg zilver verwerkt. Overigens bevindt zich in Nikko niet alleen het mausoleum van Ieyasu, ook de kleinzoon Iemitsu heeft er zijn laatste rustplaats in de Taiyuinbyo. (Jurre kon er zijn hart ophalen!) Iemitsu liet gedurende 20 jaar de Toshogu bouwen om zijn grote opa te eren en besloot er zelf ook een 'tempeltje' voor hem zelf bij te zetten. Qua grandeur wint opa met vlag en wimpel, maar de Taiyuinbyo doet er niet echt veel voor onder. De pracht en praal wordt niet alleen benadrukt door het glimmende goud en zilverwerk, maar ook door de (wellicht) overkill aan ornamentiek van dakdragende constructies en houtsnijwerk. Er is geen vlak stukje onbewerkt hout te vinden, en de daken beuren op van de draken.










PS: Veel meer foto's staan op flickr. Klik hier om ze te bekijken!

Na een stevige klimpartij door een cederbos arriveer je uiteindelijk hoog boven de schrijn, op de berg, bij de laatste rustplaats van de shogun, wiens as er wordt bewaard in een enorme bronzen urn.
Ik realiseer me dat dit de tweede keer binnen een week is dat ik me dicht bij de hemel bevindt. Waar de eerste keer bevredigend is voor het individu dat een afmattende sportieve prestatie heeft voltooid, vier je hier in stille gezamenlijkheid de geschiedenis van Japan. Gewijde grond. Ik ben blij dat ik hier ben.

zaterdag 27 augustus 2011

Hoge Omes

Dames en heren, jongens en meisjes, u zult zich wel afvragen waar ik de afgelopen tijd heb uitgehangen. Welnu, ik kan jullie met enige trots vertellen dat afgelopen dinsdag de hoogste berg van Japan, de Fuji, heb beklommen! Samen met vier Leidse studiegenoten, Jurre Knoest, Milan van Berlo, Sander Schoen en Martijn Heule, heb ik één van de meest bekende symbolen voor Japan en de Japanse cultuur weten te bedwingen. Hoewel de berg niet bekend staat als bijzonder moeilijk te beklimmen, vergde de bestijging toch wel het nodige bloed, zweet en tranen. Als echte Nederlanders hadden wij, in plaats van honderden euro's aan klimuitrusting uit te geven, ons voorzien van kledingstukken die wij reeds bezaten. Aangemoedigd door verhalen van mensen die op blote voeten naar boven waren geklommen meenden wij dat niets onze klim meer in de weg zou kunnen staan. Echter, de klim zou 's nachts plaatsvinden waardoor het op de top kouder was dan we hadden gedacht. Natuurlijk hebben we ons als echte Japanologen kranig geweerd, zodat we heelhuids zijn teruggekeerd en ik jullie verslag kan doen van de ontberingen die wij op de berg doorstonden.



De dag begon al vroeg voor mij afgelopen dinsdag, omdat het de vorige avond nog niet precies duidelijk was wanneer de andere vier Leidenaren bij de berg aan zouden komen. Ik moest derhalve treintijden uitzoeken, want er was geen bus meer beschikbaar naar Fujinomiya. Hoewel het voor degenen die vanuit Tokyo komen makkelijker is om de noordelijke Kawakuchiko route te nemen, zou ik mij naar de zuidelijke Fujinomiya route begeven, omdat de Leidenaren uit het zuidelijk gelegen Shizuoka zouden komen. Omdat de snelste route naar Fujinomiya per Shinkansen zou zijn, besloot ik de stoute schoenen aan te trekken en een kaartje te kopen voor de befaamde kogeltrein. Daarna was het tijd om nog de laatste hand te leggen aan de berguitrusting, want ik had vernomen dat het op de top van de berg nog wel eens gemeen hard kon waaien. Bij de discountwinkel in de buurt van mijn dormitory vond ik gelukkig een regenpak en thermosokken zodat ik mij voor het moment voldoende toegerust waande om de Fuji te kunnen gaan bedwingen. Thuis in de dormitory kreeg ik bericht dat de heren tegen een uur of vijf bij het station van Fujinomoiya zouden zijn. Na een laatste inspectie van het klimgerei en het inpakken van een zak krentenbollen kon de reis beginnen.

De treinreis verliep, zoals het Japan betaamt, geheel volgens plan. Met de Yamanote lijn was ik naar Shinagawa gereden, een voorstad van Tokyo. Aldaar stapte ik op de Kodama shinkansen over. Hoewel deze goedkoopste lijn veel tussenstops kent, zoefde ik regelmatig op een adembenemende snelheid over het Japanse spoor. De trein deed haar reputatie eer aan. Bij het plaatsje Mishima moest er helaas worden overgestapt op een plaatselijk boemeltje, dat mij uiteindelijk naar Fujinomiya bracht. Door een net niet gehaalde overstap kwam ik iets te laat aan in Fujinomiya, waardoor de jongens al onderweg waren in hun bus. Omdat de volgende bus pas over anderhalf uur weer zou gaan, besloot ik de tijd te doden en de omgeving van het station op foto vast te leggen. Het viel me op dat het centrum van Fujinomiya nogal verouderd aandeed, heel anders dan het zich continu vernieuwende Tokyo. Hier bleek goed dat Japan wel degelijk in een economische depressie verkeert, omdat interieurs van kapsalons en winkels veelal een inrichting van minstens tien jaar geleden ten toon spreidden. Deze overpeinzingen over het verschil in welvaart tussen Tokyo en het platteland werden echter onderbroken door de bus, die iets vroeger dan verwacht arriveerde.

De busreis zou anderhalf uur duren, en vervoerde mijn mede-passagiers en mij over een weg met de meest waanzinnige haarspeldbochten omhoog naar het vijfde klimstation van Fujinomiya. Omdat halverwege de nacht viel moest de buschauffeur een zeer bekwaam man zijn, hetgeen hij gelukkig ook was. Hoewel de bus vervaarlijk heen en weer slingerde, voelde ik me geen moment onveilig. De Japanners in de bus ook niet, getuige het feit dat ze allemaal zonder uitzondering in een diepe slaap vielen zodra de bus wegreed en daar weer net zo soepel uit ontwaakten toen we op de parkeerplaats van het vijfde station aankwamen. Op de parkeerplaats tastte ik (letterlijk) in het duister over hoe ik nu verder moest lopen, maar gelukkig ontdekte ik samen met de Japanners een bord dat naar de souvenirwinkel aan de voet van de route voerde. Daar bleken de Leidenaren al op mij te wachten. Na een hernieuwde kennismaking - ik had de heren al een half jaar niet gezien - besloten we nog even een kijkje te nemen in de souvenirwinkel. Ik kocht nog wat extra proviand voor onderweg, en, heel belangrijk, een wandelstok om op de lastige stukken in evenwicht te kunnen blijven. Deze houten stok was trouwens voorzien van de tekst 'rokkon shoujou', hetgeen zoveel betekent als geestelijke reiniging door het onthechten van de zintuigen. Dit slaat natuurlijk op de gemoedstoestand die de beklimmer van de Fuji dient te bereiken en naar later bleek zou deze boodschap inderdaad profetische waarde bezitten.


vlnr: Jurre, Martijn, Milan, Sander, Pim.
NB: de stok die Jurre kranig vasthoudt is niet een vuurpijl. Wij waren niet van zins om ons boven Leids uit te leven en het leek ons niet opportuun om een dergelijke grote lawinepijl een notabene berg op te dragen, zelfs niet als eventueel noodsignaal.


Nadat een allervriendelijkste Japanner een groepsfoto van het Leidse klimteam had genomen, startten we de tocht vanaf het vijfde station van de Fujinomiya route. Door de duisternis zagen we geen hand voor ogen, dus het was erg prettig dat mijn zaklamp van het LED-type was, zodat ik over een zeer krachtige bundel licht beschikte. Niettemin speelden we het toch nog klaar om in het begin van het pad af te raken en in een soortement karrespoor te lopen. Gelukkig was het pad afgebakend met lijnen waaraan de klimmers zich konden vastgrijpen als zij uit evenwicht dreigden te geraken en zorgde de zee van lichtjes voor ons dat we het pad weer snel hervonden. De klim naar het zesde station ging voorspoedig, hoewel er een tweedeling ontstond tussen het sportieve groepje (Milan, Sander en Martijn) en het minder-sportieve groepje (Jurre en ik). Eerstgenoemden klommen monter en kordaat omhoog, waar eerst Jurre en daarna ikzelf aanmerkelijk meer moeite hadden om ons naar boven te hijsen. Gelukkig hielden de snellere klimmers zich wel regelmatig in, zodat Jurre en ik de gelegenheid hadden om in te lopen. Het zevende station bleek ook nog wel te doen te zijn, maar hier namen we een langere pauze om spieren die jaren geleden voor het laatst waren aangesproken tot rust te laten komen. Deze stations waren trouwens voorzien van slaaphutten waar men een verdiend uiltje kon knappen, mits tevoren gereserveerd voor 5000 yen. Omdat het hoofddoel van de mensen die 's nachts klimmen het zien van de zonsopgang vanaf de top van de Fuji is, wordt hier veelvuldig gebruik van gemaakt. De laatste loodjes kunnen dan na een slaap van een paar uur gemakkelijker worden afgelegd. Wij hadden echter besloten dat we ons als echte mannen zonder te slapen omhoog zouden bewegen. Het motief van besparing was overigens ook een zwaarwegende reden.

Bij de achtste hut begon Jurre het wel erg zwaar te krijgen en ook ik voelde mijn krachten door het afnemende zuurstofgehalte en gebrek aan conditie afnemen. Ook was de snijdende wind een geduchte tegenstander, waartegen we ons af en toe even konden beschermen door beschutting te zoeken achter een paar rotsen. De koude begon nu toe te slaan. Hoewel ik een polo, een fleece en het regenjack aan had, sneed de kou er dwars doorheen. Uiteraard lieten we ons niet kisten en stapen we stevig door. Inside-jokes en harde Nederlandse grappen, waarvan het maar goed was dat de Japanners ze niet konden verstaan, vlogen over en weer zodat de moed er in ieder geval in bleef.

Bij de negende hut werd het ons allen toch wel even te kwaad en gelukkig konden we aanschuiven in de eethal, om daar een cupnoodle te nuttigen. De cupnoodle was van een nogal twijfelachtige smaak, maar wij waren blij dat we tenminste iets te eten hadden en het warme! voedsel in een oogwenk verorberd. Het was wel vrij ergelijk dat de deuren van hut negen wagenwijd open bleven staan, zodat de kou ongebreideld binnen kon komen. We vermoeden dat het gezond verstand het hier verloor van de Japanse wet dat het niet gastvrij is om de deuren niet open te laten staan als je bezoekers uitnodigt om binnen te treden.



De laatste etappe was voor iedereen erg zwaar, maar we voelden ons gesteund door de klimmers om ons heen en de zee van lichtjes voor ons, die gestaag omhoog bewoog. Vloekend en tierend, zuchtend en steunend, legde ik de laatste meters af, waarbij de volgende hut maar niet dichterbij leek te komen. Echter, na verloop van tijd liepen we onder de Tori (poort die bij Japanse heilige plekken te vinden is) door die zich volgens mijn informatie dicht bij de top bevindt. En inderdaad, na een tien minuten doorstappen gingen we nog een Tori onderdoor, die men bij de top van de Fuji, in het basecamp heeft geplaatst. De snijdend koude wind gierde door onze kleren heen, er werd hevig naar adem gehapt maar we hadden de top bereikt! Geluiden van opluchting stegen rondom ons allen op, waarop wij ook voldaan neerzegen. De tevredenheid werd echter minder toen bleek dat de hut op de top pas om 5:00 's ochtends open zou gaan en een warme maaltijd zou gaan verkopen. Omdat het nu tegen 4:00 's ochtends liep, was de temperatuur op de Fuji tot een minimum gedaald en het was de eerste maal dat ik het zo lang zo koud had. De sportievelingen namen om warm te blijven hun plek in op hogergelegen rotsen om de zonsopgang te kunnen fotograferen, terwijl Jurre en ik ons warmhielden in het toilethok. Het was niet de bedoeling om zo lang naar de wc te gaan, maar voor 200 yen vonden we dat we wel even een uitgebreide sessie mochten uitvoeren. Natuurlijk waren we op tijd weer uit het toilet om het moment mee te maken dat de eerste zonnestralen door het wolkendek heen begonnen te piepen. Een overweldigend mooi schouwspel viel ons ten deel (zie de foto's!), en alle ellende van de koude en de zwaarte van het beklimmen was prompt vergeten. Een welhaast magische sfeer ontstond, waarbij een luid oh en ah in het Japans opsteeg en iedereen elkaar vermoeid maar vrolijk aankeek, blij dat de klim erop zat en de beloning zo groot.





De terugtocht was, zoals andere klimmers ongetwijfeld weten, geen peuleschil. Er moest namelijk goed schrap gezet worden om niet van de berg af te vallen, en nu bleken de lijnen die men naast het pad in de grond geslagen had van onschatbare waarde. Menigmaal weigerden mijn vermoeide benen dienst, zodat ik me nog net op tijd voor een val kon behoeden door een van de lijnen vast te grijpen. Ondanks het prachtige schouwspel op de top maakte mijn humeur nu toch wel even een duikeling naar beneden door, temeer daar het station dat ik als het vijfde had beschouwd van bovenaf, het zesde bleek te zijn. Echter om 10:00u 's ochtends zat de afdaling er dan toch eindelijk op en konden we moe maar voldaan in de bus stappen.


PS: De foto's staan op flickr. Klik hier om ze te bekijken!

zaterdag 20 augustus 2011

Pepermeter en Knofcurve


En hoe scherp of met hoeveel knoflook wilt u uw gerecht hebben? Deze sticker kwam ik vanavond tegen in het Koreaanse etablissement waar ik mij een Koreaanse stoofpot goed liet smaken. Ofschoon we in Nederland ook pepermeters in Thaise restaurants tegenkomen, is de voortreffelijke visuele manier waarop deze is uitgevoerd uniek voor Japan. Japanners houden traditioneel van naturel eten. Net als ik gaan ze echter steeds vaker ook op culinair avontuur. Zowel de eigenaar als de geëerde klant houden er van om de keus zo duidelijk mogelijk te kunnen maken. Avontuur is fijn, maar verassingen moeten we voorkomen. Niets vervelender dan gezichtsverlies of een gehemelte waar de vellen bij hangen. Derhalve is de sticker netjes voorzien van duidelijk identificeerbare afbeeldingen van een rode peper en een knoflookbol. Hoewel de Japanner de keuzes wel op één zal houden, bestelde ik zelf een scherpte van drie pepertjes en twee knoflookbolletjes.

woensdag 17 augustus 2011

Semi-finals

Intrigerende titel dit, die vast een aantal googlelaars op het verkeerde been zal zetten: ik refereer in deze post niet aan het voetbalgebeuren, maar aan de Semi, de Japanse neef van de Hollandse krekel. Deze cicadesoort is niet alleen fors groter dan de tuintsjirpers thuis, maar bovendien talloze malen nadrukkelijker aanwezig. Dat moet ook wel, hij is namelijk aan de finale van zijn leven bezig.

Terwijl u zich in Holland geroerd voelt door het krieken van de krekel ergens op een onvindbaar plekje in de achtertuin, moet men in Japan dealen met een welhaast oorverdovend lawaai. Geroerd bent u, uw krekel roept bij u gevoelens van vroeger op en u hoort hem (het is altijd een hij) op een zwoele zomeravond, waarvan ik vernam dat dat er deze maand niet zo veel waren in Holland. Ach, de krekel! Nu is het echt zomer.

In Japan staat de Semi eveneens symbool voor de zomer, hij is overal zeer nadrukkelijk aanwezig. OORVERDOVEND! Van 's morgens vroeg tot 's avonds laat. Nadrukkelijk aanwezig althans voor diegenen die zoals ik, niet met deze insecten zijn grootgegroeid. De Japanners zelf valt de herrie niet meer op, het is als wanneer je je hele leven langs een spoordijk woont, op gegeven moment hoor je de denderende trein niet meer. De cicades worden veel in Haiku-poëzie aangehaald om de zomer te symboliseren. Ach, de Semi! Nu is het echt zomer.



De Semi is fors groter dan de veldkrekel thuis of de groene sprinkhaan die je soms op je voorruit van de auto treft, klik maar eens door op deze foto. Dat moet ook wel om zulk een lawaai te kunnen maken. Bovendien zijn ze met velen tegelijk in bomen en struiken - ook midden in Tokyo - aan het 'musiceren', terwijl de krekels thuis elk aan hun eigen tuin hechten. Krekels zijn overigens meer van het strijkorkest, terwijl cicades op de timbaal slaan. Ze maken hun lokgeluiden op een andere wijze. Er is ook enige urgentie, want na een leven als larf gedurende 7 tot 13 jaar volledig ondergronds, hebben ze slechts één zomer om hun ding te doen. Woow! Dat zulks met herrie gepaard gaat is ze dus van harte vergeven.



dinsdag 16 augustus 2011

Een nieuw begin

Waarde lezers, het is u wellicht niet ontgaan dat er in de afgelopen vier weken geen teken van leven is verschenen op deze plek. De afgelopen tijd werd ik namelijk in beslag genomen door tentamens, eindejaarsactiviteiten en de Tokyose hitte die het energieniveau geen goed doet. Echter, ik ben me bewust dat enige nieuwsgierigheid naar mijn belevenissen gerezen is, ik zal mij dan ook met meer toewijding aan het bloggen zetten.

Tot op heden heb ik u telkens voorzien van opiniërende stukken, waarin ik telkens zaken die mij opvallen in de Japanse maatschappij tracht te verwerken. Uiteraard zal ik het schrijven van zulke stukjes voorzetten. Echter, om de continuïteit van deze blog te waarborgen, lijkt het mij een goed plan om de bovengenoemde observaties af te wisselen met een nieuw format. Bij het napluizen van blogs van medestudenten kwam ik een blog tegen met een even simpel als doeltreffend concept: De persoon in kwestie blogt iedere dag een foto die hem het meeste is opgevallen en voegt daar dan een onderschrift bij. Het is wel enigszins te vergelijken met de 'Aarsman collectie' die een tijd geleden in de Volkskrant werd gepubliceerd. In deze rubriek analyseerde Hans Aarsman telkens een op het eerste gezicht niet zo bijzondere nieuwsfoto en kwam tot opvallende conclusies. In de geest van een dergelijke rubriek wil ik met regelmaat een foto uit mijn leven in Japan nemen en deze becommentariëren, om u zodoende niet alleen beelden te geven, maar ze ook te duiden.



U treft hierbij een filmpje aan van de zogenaamde 'nabe-party' die ik hier in de dormitory mocht bijwonen. Bij deze 'nabe-party' worden allerhande ingrediënten uit de supermarkt gezamenlijk in een grote pan gekookt en het proces van samen bereiden heeft dan ook veel weg van een Japanse versie van fondue. Hoewel ik natuurlijk ook het nodige snij- en hakwerk in de keuken heb verricht, vond ik het een goed idee om á la Frans Bromet de camera ter hand te nemen en de meisjes te ondervragen over de bereidingswijze van de Nabe. Voor nu welterusten en klik gerust ook door naar de foto's, deze zijn weer bijgewerkt.

donderdag 14 juli 2011

Ook Japanners zijn mensen

Waarde lezer. Bij velen van u zal Japan te boek staan als het land waar het spreekwoord 'een goede voorbereiding is het halve werk' letterlijk op gaat. Als de Japanse economie wordt besproken op CNN, brengt men steevast een voorname econoom in beeld die een tot in de puntjes geregisseerde persconferentie geeft. Uiteraard is een van de beste voorbeelden van de vruchten die een dergelijke houding afwerpt het uitdelen van voedsel bij de ramp in Noord-Oost Japan. Waar in veel andere landen bij een ramp van dergelijk formaat de bevolking op de vlucht zou slaan en supermarkten zou plunderen, was er in Japan sprake van een uitzonderlijke kalmte. Beelden van mensen die huis en haard verloren hebben, maar ondanks alles gewoon in de rij staan voor een kop soep bij de plaatselijke supermarkt, gingen de wereld over.
Deze houding van op je beurt wachten en ten alle tijde rekening houden met de ander wordt in het buitenland vaak met enige argwaan gade geslagen. De Japanner wordt vaak als een robot gezien die in een totalitair systeem opgroeit, en nooit even tegen de stroom in kan zwemmen. Dit beeld van de Japanner lijkt aan de oppervlakte inderdaad te kloppen. Liftmeisjes roepen van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat met dezelfde blijmoedigheid het nummer van de etage af waar de lift stopt. Ook zal er geen postbeambte zijn die vijf minuten voor sluitingstijd met een gezicht dat op onweer staat het postkantoor sluit. Echter, dat ook de Japanners mensen zijn als u en ik, staat buiten kijf. Hoewel de druk die de maatschappij op de mensen hier uitoefent enorm is, zijn zoals in ieder land genoeg achterdeurtjes aanwezig om de opgebouwde frustratie eruit een weg te laten vinden. Middels deze blog wil ik enkele van mijn observaties van deze uitlaatkleppen met jullie delen en tonen dat de opvallende hang naar discipline minstens net zo opvallende ontsnappingen daaraan op heeft geleverd.


Zo keerde ik een paar dagen geleden terug van de supermarkt en wilde ik de sleutel in het slot van de voordeur van de dormitory steken. Echter, achter mij doemde een vervaarlijk heen en weer bewegende gestalte op. Hoewel ik een ogenblik dacht dat het om een inbreker ging, besloot ik toch maar te kijken. Tot mijn verbazing bleek het Nakamura-san, de beheerster van het gebouw te zijn. Een volle minuut staarde ze me aan met een blik waaruit duidelijk bleek dat ze geen idee had waar ze was, maar plots begon Nakamura-san te praten. 'Ah, Pim-san, ik ben dronken. Doe jij de deur even open?' Ik had alles behalve een dergelijke uitspraak verwacht en deed daarom grinnikend de deur voor haar open. Nakamura-san was nog niet zo ver heen dat ze dat niet opmerkte en beschouwde het als een vraag naar het hoe en waarom van haar beschonken toestand. Ze bleek met haar dochter even naar de Izakaya in de buurt te zijn geweest. Deze piepkleine kroegjes herbergen meestal niet meer dan een man of zes en zijn aanwezig in elke buurt van Tokyo om de plaatselijke bevolking van de nodige troost te voorzien na het harde werken. Dat kantoorwerkers zich hier elke avond volgieten om het gekaffer van hun baas even te vergeten was mij bekend. Maar het was een aangename verrassing dat Nakamura-san ook kan drinken als een oude zeeman.

Een andere bevreemdende ontmoeting vond plaats in Shinjuku, waar ik zojuist bij het postkantoor een pakketje naar Nederland op de post had gedaan. Nietsvermoedend liep ik de hoek om bij een filiaal van een grote elektronicazaak, waar ik plots in uitstekend Engels werd aangesproken door een Japanner van middelbare leeftijd. Instinctief dacht ik erover de man vriendelijk af te wimpelen en mijn weg te vervolgen. Echter, het gebeurt niet dagelijks dat een Japanner je zomaar aanspreekt op straat, dus ik besloot te luisteren naar wat hij mij wilde vertellen. Hoewel hij zijn naam niet prijsgaf, bleek de man salaryman bij een grote bank in Tokyo en bovenmatig geeïnteresseerd in Europa. Alvorens ik deze informatie te weten kwam moest ik gewillig een spervuur van vragen ondergaan. Waar Japanners te boek staan als uitermate gereserveerd tegenover vreemde landgenoten, geldt deze regel schijnbaar niet voor mensen uit den vreemde. Geduldig antwoordde ik dat ik uit Nederland kwam, dat daar in tegenstelling tot Japanse opvattingen geen Duits wordt gesproken en bracht ik de man in opperste extase door te vertellen dat de meeste Nederlanders zich min of meer kunnen redden in het Engels. Nu was het hek van de dam, want ik moest nu alles vertellen over landen in Europa waar ik op bezoek was geweest en hoeveel talen ik wel niet sprak. Bij het noemen van Frans lichtten de ogen van de salaryman op en sprak hij me in vloeiend Frans aan. Nadat ik hem toegaf dat mijn Frans niet geweldig is, schakelden we weer over op Engels en vroeg ik de man of hij al in Europa was geweest. Zonder aarzelen antwoordde de salaryman dat hij nog nooit in het buitenland was geweest en er waarschijnlijk ook niet zou komen. Op mijn vraag waarom hij dan in hemelsnaam Frans en Duits zo vloeiend sprak kwam geen antwoord. Blijkbaar was het gesprek zo plots als het begonnen was ten einde gekomen, want ik werd met enkele geestdriftige buigingen bedankt, waarna de man in een oogwenk weer in de massa verdween. Knipperend met mijn ogen besloot ik het er maar op te houden dat ik te maken had gehad met de Japanse minderheid die wel in het buitenland geïnteresseerd is. Het systeem had hem vermoedelijk in de rol van bankmedewerker gedwongen, maar de belangstelling voor vreemde talen was blijven bestaan. Zijn ei niet kwijt kunnende bij collega's, had hij waarschijnlijk de eerste de beste buitenlander op straat aangesproken, omdat deze buiten het systeem staan en dus rustig als proefkonijn benut kunnen worden om aannames te testen of, zoals in dit geval, een vreemde taal te oefenen.

Een voor buitenlanders veel onbegrijpelijker ventiel van de Japanse maatschappij, vormt de studententijd van veel Japanners. De meeste jongeren hebben tot aan het toelatingsexamen voor de universiteit met man en macht gestudeerd, of zijn hiertoe in ieder geval gedwongen door hun ouders. Hoewel de overheid in de jaren negentig maatregelen heeft getroffen om overspannenheid onder scholieren terug te dringen door lesuren te verminderen, hebben veel ouders dit gecompenseerd door hun kroost naar de Juku te sturen. Deze Juku, ook wel cramschool (stamp-school) genoemd, moet de jongelui klaarstomen om de immense horde van het toelatingsexamen van de universiteit te nemen. Het gaat hierbij niet zozeer om kennis die later nog wel eens van pas zou kunnen komen, maar veeleer om het uit het hoofd leren van feiten en nog eens feiten.
Het leren van feiten kan op zich geen kwaad, maar de uit het hoofd geleerde stof wordt door toedoen van het Japanse universitaire systeem weer net zo hard vergeten. Zodra de student binnen is, leidt deze een luizenleventje waarbij her en der vakken gevolgd worden. Zo hebben een paar van mijn kennissen bij de Waseda International Club Duits in hun pakket. Wanneer ik ze echter vraag of ze er ook echt Duits leren spreken, blijkt dat niet het geval. Het vak fungeert vooral als opvulling voor het aantal punten dat in een jaar behaald moet worden. Basisgrammatica en woorden krijgt men wel onderwezen, maar het beperkt zich vooral tot het middelbare school Duits dat in Nederland wordt onderwezen. Bij navraag blijken ook colleges voor inhoudelijke vakken als handel en economie zeer merkwaardig te zijn opgebouwd. De professor verwacht van zijn studenten dat ze naar zijn klas komen en zijn verhaal aanhoren. Vragen stelt men nauwelijks en ruimte voor een kritische noot is er niet. Deze colleges zijn het meest populair bij de Japanse studenten, omdat de hoeveelheid studenten zo immens is dat het niet opvalt als men een aantal keer niet komt. Aanwezigheid wordt niet afgenomen, men test de studenten middels ellenlange rapporten die in essentie een transcriptie vormen van hetgeen de professor heeft verteld. Aan synthese, uit het vertelde de kern halen, wordt geen aandacht besteed en de student heeft het vak op voorhand al gehaald als aan de woordlimiet van het gestelde essay wordt voldaan.

Wat de student dan wel doet in zijn universitaire tijd, is plezier maken en bijwerken om dat plezier te kunnen betalen. Net als in andere landen beschikt de Japanse universiteit over een aantal verenigingen die zich met uiteenlopende activiteiten als roeien, kendo, katten houden (!) en fotografie bezig houden. Wat wel opvalt is dat deze zogenaamde circles talrijker zijn dan in welk land dan ook, er is voor elke niche wel een circle in het leven geroepen. Uiteraard staan niet alleen maar serieuze bijeenkomsten op het programma, omdat er ook gedronken moet worden en gezocht worden naar een leuke partner. Zo is het hier algemeen bekend dat de Tenniscircle zijn naam geen eer aan doet en een dekmantel is voor diegenen die met enige regelmaat flink willen drinken.
De oplettende lezer vraagt zich nu wellicht af hoe de Japanse student met al deze pleziermakerij het ook nog kan opbrengen om hoge cijfers te halen om een goede baan te krijgen. Welnu, vanmiddag werden mijn zorgen in deze ontzenuwd, want in de les vertelde een Japanse vrijwilliger dat de toekomstige werkgever niet zozeer op cijfers let, maar meer op de mate waarin de sollicitant de zogenaamde shushokukatsudou meester is. Deze etiquette schrijft voor hoe een potentiële werknemer zich moet richten naar zijn toekomstige werkgever en heeft niets te maken met competentie maar alles met de standenmaatschappij en het op de juiste manier bewieroken van de superieur. Op deze manier lijkt men verzekerd te zijn van een werknemer die zich, zoals ik reeds eerder schreef, in de bedrijfsstructuur kan inpassen en de al dan niet nog ontbrekende vaardigheden worden intern aangeleerd. Dit alles in het achterhoofd houdende is het niet vreemd dat veel Japanse studenten tussen het binnenkomen van de universiteit en het solliciteren naar een baan niet al te hard studeren, omdat dit de enige tijd in hun leven is waarin de enorme druk die de maatschappij op hen uitoefent op min of meer legitieme wijze een aantal jaren kan worden afgewend.

Ik hoop dat ik middels deze drie voorbeelden duidelijk heb kunnen maken dat de Japanse maatschappij zeker niet de mierenhoop is, een metafoor die westerse media graag gebruiken. Het is waar dat de discipline en verplichtingen hier veel sterker drukken op de mensen dan in Europa, maar uiteindelijk zijn de Japanners gewoon mensen als u en ik en hebben ze hun reputatien eer aandoende, typisch Japanse ontsnappingsmogelijkheden bedacht.