zaterdag 27 augustus 2011

Hoge Omes

Dames en heren, jongens en meisjes, u zult zich wel afvragen waar ik de afgelopen tijd heb uitgehangen. Welnu, ik kan jullie met enige trots vertellen dat afgelopen dinsdag de hoogste berg van Japan, de Fuji, heb beklommen! Samen met vier Leidse studiegenoten, Jurre Knoest, Milan van Berlo, Sander Schoen en Martijn Heule, heb ik één van de meest bekende symbolen voor Japan en de Japanse cultuur weten te bedwingen. Hoewel de berg niet bekend staat als bijzonder moeilijk te beklimmen, vergde de bestijging toch wel het nodige bloed, zweet en tranen. Als echte Nederlanders hadden wij, in plaats van honderden euro's aan klimuitrusting uit te geven, ons voorzien van kledingstukken die wij reeds bezaten. Aangemoedigd door verhalen van mensen die op blote voeten naar boven waren geklommen meenden wij dat niets onze klim meer in de weg zou kunnen staan. Echter, de klim zou 's nachts plaatsvinden waardoor het op de top kouder was dan we hadden gedacht. Natuurlijk hebben we ons als echte Japanologen kranig geweerd, zodat we heelhuids zijn teruggekeerd en ik jullie verslag kan doen van de ontberingen die wij op de berg doorstonden.



De dag begon al vroeg voor mij afgelopen dinsdag, omdat het de vorige avond nog niet precies duidelijk was wanneer de andere vier Leidenaren bij de berg aan zouden komen. Ik moest derhalve treintijden uitzoeken, want er was geen bus meer beschikbaar naar Fujinomiya. Hoewel het voor degenen die vanuit Tokyo komen makkelijker is om de noordelijke Kawakuchiko route te nemen, zou ik mij naar de zuidelijke Fujinomiya route begeven, omdat de Leidenaren uit het zuidelijk gelegen Shizuoka zouden komen. Omdat de snelste route naar Fujinomiya per Shinkansen zou zijn, besloot ik de stoute schoenen aan te trekken en een kaartje te kopen voor de befaamde kogeltrein. Daarna was het tijd om nog de laatste hand te leggen aan de berguitrusting, want ik had vernomen dat het op de top van de berg nog wel eens gemeen hard kon waaien. Bij de discountwinkel in de buurt van mijn dormitory vond ik gelukkig een regenpak en thermosokken zodat ik mij voor het moment voldoende toegerust waande om de Fuji te kunnen gaan bedwingen. Thuis in de dormitory kreeg ik bericht dat de heren tegen een uur of vijf bij het station van Fujinomoiya zouden zijn. Na een laatste inspectie van het klimgerei en het inpakken van een zak krentenbollen kon de reis beginnen.

De treinreis verliep, zoals het Japan betaamt, geheel volgens plan. Met de Yamanote lijn was ik naar Shinagawa gereden, een voorstad van Tokyo. Aldaar stapte ik op de Kodama shinkansen over. Hoewel deze goedkoopste lijn veel tussenstops kent, zoefde ik regelmatig op een adembenemende snelheid over het Japanse spoor. De trein deed haar reputatie eer aan. Bij het plaatsje Mishima moest er helaas worden overgestapt op een plaatselijk boemeltje, dat mij uiteindelijk naar Fujinomiya bracht. Door een net niet gehaalde overstap kwam ik iets te laat aan in Fujinomiya, waardoor de jongens al onderweg waren in hun bus. Omdat de volgende bus pas over anderhalf uur weer zou gaan, besloot ik de tijd te doden en de omgeving van het station op foto vast te leggen. Het viel me op dat het centrum van Fujinomiya nogal verouderd aandeed, heel anders dan het zich continu vernieuwende Tokyo. Hier bleek goed dat Japan wel degelijk in een economische depressie verkeert, omdat interieurs van kapsalons en winkels veelal een inrichting van minstens tien jaar geleden ten toon spreidden. Deze overpeinzingen over het verschil in welvaart tussen Tokyo en het platteland werden echter onderbroken door de bus, die iets vroeger dan verwacht arriveerde.

De busreis zou anderhalf uur duren, en vervoerde mijn mede-passagiers en mij over een weg met de meest waanzinnige haarspeldbochten omhoog naar het vijfde klimstation van Fujinomiya. Omdat halverwege de nacht viel moest de buschauffeur een zeer bekwaam man zijn, hetgeen hij gelukkig ook was. Hoewel de bus vervaarlijk heen en weer slingerde, voelde ik me geen moment onveilig. De Japanners in de bus ook niet, getuige het feit dat ze allemaal zonder uitzondering in een diepe slaap vielen zodra de bus wegreed en daar weer net zo soepel uit ontwaakten toen we op de parkeerplaats van het vijfde station aankwamen. Op de parkeerplaats tastte ik (letterlijk) in het duister over hoe ik nu verder moest lopen, maar gelukkig ontdekte ik samen met de Japanners een bord dat naar de souvenirwinkel aan de voet van de route voerde. Daar bleken de Leidenaren al op mij te wachten. Na een hernieuwde kennismaking - ik had de heren al een half jaar niet gezien - besloten we nog even een kijkje te nemen in de souvenirwinkel. Ik kocht nog wat extra proviand voor onderweg, en, heel belangrijk, een wandelstok om op de lastige stukken in evenwicht te kunnen blijven. Deze houten stok was trouwens voorzien van de tekst 'rokkon shoujou', hetgeen zoveel betekent als geestelijke reiniging door het onthechten van de zintuigen. Dit slaat natuurlijk op de gemoedstoestand die de beklimmer van de Fuji dient te bereiken en naar later bleek zou deze boodschap inderdaad profetische waarde bezitten.


vlnr: Jurre, Martijn, Milan, Sander, Pim.
NB: de stok die Jurre kranig vasthoudt is niet een vuurpijl. Wij waren niet van zins om ons boven Leids uit te leven en het leek ons niet opportuun om een dergelijke grote lawinepijl een notabene berg op te dragen, zelfs niet als eventueel noodsignaal.


Nadat een allervriendelijkste Japanner een groepsfoto van het Leidse klimteam had genomen, startten we de tocht vanaf het vijfde station van de Fujinomiya route. Door de duisternis zagen we geen hand voor ogen, dus het was erg prettig dat mijn zaklamp van het LED-type was, zodat ik over een zeer krachtige bundel licht beschikte. Niettemin speelden we het toch nog klaar om in het begin van het pad af te raken en in een soortement karrespoor te lopen. Gelukkig was het pad afgebakend met lijnen waaraan de klimmers zich konden vastgrijpen als zij uit evenwicht dreigden te geraken en zorgde de zee van lichtjes voor ons dat we het pad weer snel hervonden. De klim naar het zesde station ging voorspoedig, hoewel er een tweedeling ontstond tussen het sportieve groepje (Milan, Sander en Martijn) en het minder-sportieve groepje (Jurre en ik). Eerstgenoemden klommen monter en kordaat omhoog, waar eerst Jurre en daarna ikzelf aanmerkelijk meer moeite hadden om ons naar boven te hijsen. Gelukkig hielden de snellere klimmers zich wel regelmatig in, zodat Jurre en ik de gelegenheid hadden om in te lopen. Het zevende station bleek ook nog wel te doen te zijn, maar hier namen we een langere pauze om spieren die jaren geleden voor het laatst waren aangesproken tot rust te laten komen. Deze stations waren trouwens voorzien van slaaphutten waar men een verdiend uiltje kon knappen, mits tevoren gereserveerd voor 5000 yen. Omdat het hoofddoel van de mensen die 's nachts klimmen het zien van de zonsopgang vanaf de top van de Fuji is, wordt hier veelvuldig gebruik van gemaakt. De laatste loodjes kunnen dan na een slaap van een paar uur gemakkelijker worden afgelegd. Wij hadden echter besloten dat we ons als echte mannen zonder te slapen omhoog zouden bewegen. Het motief van besparing was overigens ook een zwaarwegende reden.

Bij de achtste hut begon Jurre het wel erg zwaar te krijgen en ook ik voelde mijn krachten door het afnemende zuurstofgehalte en gebrek aan conditie afnemen. Ook was de snijdende wind een geduchte tegenstander, waartegen we ons af en toe even konden beschermen door beschutting te zoeken achter een paar rotsen. De koude begon nu toe te slaan. Hoewel ik een polo, een fleece en het regenjack aan had, sneed de kou er dwars doorheen. Uiteraard lieten we ons niet kisten en stapen we stevig door. Inside-jokes en harde Nederlandse grappen, waarvan het maar goed was dat de Japanners ze niet konden verstaan, vlogen over en weer zodat de moed er in ieder geval in bleef.

Bij de negende hut werd het ons allen toch wel even te kwaad en gelukkig konden we aanschuiven in de eethal, om daar een cupnoodle te nuttigen. De cupnoodle was van een nogal twijfelachtige smaak, maar wij waren blij dat we tenminste iets te eten hadden en het warme! voedsel in een oogwenk verorberd. Het was wel vrij ergelijk dat de deuren van hut negen wagenwijd open bleven staan, zodat de kou ongebreideld binnen kon komen. We vermoeden dat het gezond verstand het hier verloor van de Japanse wet dat het niet gastvrij is om de deuren niet open te laten staan als je bezoekers uitnodigt om binnen te treden.



De laatste etappe was voor iedereen erg zwaar, maar we voelden ons gesteund door de klimmers om ons heen en de zee van lichtjes voor ons, die gestaag omhoog bewoog. Vloekend en tierend, zuchtend en steunend, legde ik de laatste meters af, waarbij de volgende hut maar niet dichterbij leek te komen. Echter, na verloop van tijd liepen we onder de Tori (poort die bij Japanse heilige plekken te vinden is) door die zich volgens mijn informatie dicht bij de top bevindt. En inderdaad, na een tien minuten doorstappen gingen we nog een Tori onderdoor, die men bij de top van de Fuji, in het basecamp heeft geplaatst. De snijdend koude wind gierde door onze kleren heen, er werd hevig naar adem gehapt maar we hadden de top bereikt! Geluiden van opluchting stegen rondom ons allen op, waarop wij ook voldaan neerzegen. De tevredenheid werd echter minder toen bleek dat de hut op de top pas om 5:00 's ochtends open zou gaan en een warme maaltijd zou gaan verkopen. Omdat het nu tegen 4:00 's ochtends liep, was de temperatuur op de Fuji tot een minimum gedaald en het was de eerste maal dat ik het zo lang zo koud had. De sportievelingen namen om warm te blijven hun plek in op hogergelegen rotsen om de zonsopgang te kunnen fotograferen, terwijl Jurre en ik ons warmhielden in het toilethok. Het was niet de bedoeling om zo lang naar de wc te gaan, maar voor 200 yen vonden we dat we wel even een uitgebreide sessie mochten uitvoeren. Natuurlijk waren we op tijd weer uit het toilet om het moment mee te maken dat de eerste zonnestralen door het wolkendek heen begonnen te piepen. Een overweldigend mooi schouwspel viel ons ten deel (zie de foto's!), en alle ellende van de koude en de zwaarte van het beklimmen was prompt vergeten. Een welhaast magische sfeer ontstond, waarbij een luid oh en ah in het Japans opsteeg en iedereen elkaar vermoeid maar vrolijk aankeek, blij dat de klim erop zat en de beloning zo groot.





De terugtocht was, zoals andere klimmers ongetwijfeld weten, geen peuleschil. Er moest namelijk goed schrap gezet worden om niet van de berg af te vallen, en nu bleken de lijnen die men naast het pad in de grond geslagen had van onschatbare waarde. Menigmaal weigerden mijn vermoeide benen dienst, zodat ik me nog net op tijd voor een val kon behoeden door een van de lijnen vast te grijpen. Ondanks het prachtige schouwspel op de top maakte mijn humeur nu toch wel even een duikeling naar beneden door, temeer daar het station dat ik als het vijfde had beschouwd van bovenaf, het zesde bleek te zijn. Echter om 10:00u 's ochtends zat de afdaling er dan toch eindelijk op en konden we moe maar voldaan in de bus stappen.


PS: De foto's staan op flickr. Klik hier om ze te bekijken!

zaterdag 20 augustus 2011

Pepermeter en Knofcurve


En hoe scherp of met hoeveel knoflook wilt u uw gerecht hebben? Deze sticker kwam ik vanavond tegen in het Koreaanse etablissement waar ik mij een Koreaanse stoofpot goed liet smaken. Ofschoon we in Nederland ook pepermeters in Thaise restaurants tegenkomen, is de voortreffelijke visuele manier waarop deze is uitgevoerd uniek voor Japan. Japanners houden traditioneel van naturel eten. Net als ik gaan ze echter steeds vaker ook op culinair avontuur. Zowel de eigenaar als de geëerde klant houden er van om de keus zo duidelijk mogelijk te kunnen maken. Avontuur is fijn, maar verassingen moeten we voorkomen. Niets vervelender dan gezichtsverlies of een gehemelte waar de vellen bij hangen. Derhalve is de sticker netjes voorzien van duidelijk identificeerbare afbeeldingen van een rode peper en een knoflookbol. Hoewel de Japanner de keuzes wel op één zal houden, bestelde ik zelf een scherpte van drie pepertjes en twee knoflookbolletjes.

woensdag 17 augustus 2011

Semi-finals

Intrigerende titel dit, die vast een aantal googlelaars op het verkeerde been zal zetten: ik refereer in deze post niet aan het voetbalgebeuren, maar aan de Semi, de Japanse neef van de Hollandse krekel. Deze cicadesoort is niet alleen fors groter dan de tuintsjirpers thuis, maar bovendien talloze malen nadrukkelijker aanwezig. Dat moet ook wel, hij is namelijk aan de finale van zijn leven bezig.

Terwijl u zich in Holland geroerd voelt door het krieken van de krekel ergens op een onvindbaar plekje in de achtertuin, moet men in Japan dealen met een welhaast oorverdovend lawaai. Geroerd bent u, uw krekel roept bij u gevoelens van vroeger op en u hoort hem (het is altijd een hij) op een zwoele zomeravond, waarvan ik vernam dat dat er deze maand niet zo veel waren in Holland. Ach, de krekel! Nu is het echt zomer.

In Japan staat de Semi eveneens symbool voor de zomer, hij is overal zeer nadrukkelijk aanwezig. OORVERDOVEND! Van 's morgens vroeg tot 's avonds laat. Nadrukkelijk aanwezig althans voor diegenen die zoals ik, niet met deze insecten zijn grootgegroeid. De Japanners zelf valt de herrie niet meer op, het is als wanneer je je hele leven langs een spoordijk woont, op gegeven moment hoor je de denderende trein niet meer. De cicades worden veel in Haiku-poëzie aangehaald om de zomer te symboliseren. Ach, de Semi! Nu is het echt zomer.



De Semi is fors groter dan de veldkrekel thuis of de groene sprinkhaan die je soms op je voorruit van de auto treft, klik maar eens door op deze foto. Dat moet ook wel om zulk een lawaai te kunnen maken. Bovendien zijn ze met velen tegelijk in bomen en struiken - ook midden in Tokyo - aan het 'musiceren', terwijl de krekels thuis elk aan hun eigen tuin hechten. Krekels zijn overigens meer van het strijkorkest, terwijl cicades op de timbaal slaan. Ze maken hun lokgeluiden op een andere wijze. Er is ook enige urgentie, want na een leven als larf gedurende 7 tot 13 jaar volledig ondergronds, hebben ze slechts één zomer om hun ding te doen. Woow! Dat zulks met herrie gepaard gaat is ze dus van harte vergeven.



dinsdag 16 augustus 2011

Een nieuw begin

Waarde lezers, het is u wellicht niet ontgaan dat er in de afgelopen vier weken geen teken van leven is verschenen op deze plek. De afgelopen tijd werd ik namelijk in beslag genomen door tentamens, eindejaarsactiviteiten en de Tokyose hitte die het energieniveau geen goed doet. Echter, ik ben me bewust dat enige nieuwsgierigheid naar mijn belevenissen gerezen is, ik zal mij dan ook met meer toewijding aan het bloggen zetten.

Tot op heden heb ik u telkens voorzien van opiniërende stukken, waarin ik telkens zaken die mij opvallen in de Japanse maatschappij tracht te verwerken. Uiteraard zal ik het schrijven van zulke stukjes voorzetten. Echter, om de continuïteit van deze blog te waarborgen, lijkt het mij een goed plan om de bovengenoemde observaties af te wisselen met een nieuw format. Bij het napluizen van blogs van medestudenten kwam ik een blog tegen met een even simpel als doeltreffend concept: De persoon in kwestie blogt iedere dag een foto die hem het meeste is opgevallen en voegt daar dan een onderschrift bij. Het is wel enigszins te vergelijken met de 'Aarsman collectie' die een tijd geleden in de Volkskrant werd gepubliceerd. In deze rubriek analyseerde Hans Aarsman telkens een op het eerste gezicht niet zo bijzondere nieuwsfoto en kwam tot opvallende conclusies. In de geest van een dergelijke rubriek wil ik met regelmaat een foto uit mijn leven in Japan nemen en deze becommentariëren, om u zodoende niet alleen beelden te geven, maar ze ook te duiden.



U treft hierbij een filmpje aan van de zogenaamde 'nabe-party' die ik hier in de dormitory mocht bijwonen. Bij deze 'nabe-party' worden allerhande ingrediënten uit de supermarkt gezamenlijk in een grote pan gekookt en het proces van samen bereiden heeft dan ook veel weg van een Japanse versie van fondue. Hoewel ik natuurlijk ook het nodige snij- en hakwerk in de keuken heb verricht, vond ik het een goed idee om á la Frans Bromet de camera ter hand te nemen en de meisjes te ondervragen over de bereidingswijze van de Nabe. Voor nu welterusten en klik gerust ook door naar de foto's, deze zijn weer bijgewerkt.

donderdag 14 juli 2011

Ook Japanners zijn mensen

Waarde lezer. Bij velen van u zal Japan te boek staan als het land waar het spreekwoord 'een goede voorbereiding is het halve werk' letterlijk op gaat. Als de Japanse economie wordt besproken op CNN, brengt men steevast een voorname econoom in beeld die een tot in de puntjes geregisseerde persconferentie geeft. Uiteraard is een van de beste voorbeelden van de vruchten die een dergelijke houding afwerpt het uitdelen van voedsel bij de ramp in Noord-Oost Japan. Waar in veel andere landen bij een ramp van dergelijk formaat de bevolking op de vlucht zou slaan en supermarkten zou plunderen, was er in Japan sprake van een uitzonderlijke kalmte. Beelden van mensen die huis en haard verloren hebben, maar ondanks alles gewoon in de rij staan voor een kop soep bij de plaatselijke supermarkt, gingen de wereld over.
Deze houding van op je beurt wachten en ten alle tijde rekening houden met de ander wordt in het buitenland vaak met enige argwaan gade geslagen. De Japanner wordt vaak als een robot gezien die in een totalitair systeem opgroeit, en nooit even tegen de stroom in kan zwemmen. Dit beeld van de Japanner lijkt aan de oppervlakte inderdaad te kloppen. Liftmeisjes roepen van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat met dezelfde blijmoedigheid het nummer van de etage af waar de lift stopt. Ook zal er geen postbeambte zijn die vijf minuten voor sluitingstijd met een gezicht dat op onweer staat het postkantoor sluit. Echter, dat ook de Japanners mensen zijn als u en ik, staat buiten kijf. Hoewel de druk die de maatschappij op de mensen hier uitoefent enorm is, zijn zoals in ieder land genoeg achterdeurtjes aanwezig om de opgebouwde frustratie eruit een weg te laten vinden. Middels deze blog wil ik enkele van mijn observaties van deze uitlaatkleppen met jullie delen en tonen dat de opvallende hang naar discipline minstens net zo opvallende ontsnappingen daaraan op heeft geleverd.


Zo keerde ik een paar dagen geleden terug van de supermarkt en wilde ik de sleutel in het slot van de voordeur van de dormitory steken. Echter, achter mij doemde een vervaarlijk heen en weer bewegende gestalte op. Hoewel ik een ogenblik dacht dat het om een inbreker ging, besloot ik toch maar te kijken. Tot mijn verbazing bleek het Nakamura-san, de beheerster van het gebouw te zijn. Een volle minuut staarde ze me aan met een blik waaruit duidelijk bleek dat ze geen idee had waar ze was, maar plots begon Nakamura-san te praten. 'Ah, Pim-san, ik ben dronken. Doe jij de deur even open?' Ik had alles behalve een dergelijke uitspraak verwacht en deed daarom grinnikend de deur voor haar open. Nakamura-san was nog niet zo ver heen dat ze dat niet opmerkte en beschouwde het als een vraag naar het hoe en waarom van haar beschonken toestand. Ze bleek met haar dochter even naar de Izakaya in de buurt te zijn geweest. Deze piepkleine kroegjes herbergen meestal niet meer dan een man of zes en zijn aanwezig in elke buurt van Tokyo om de plaatselijke bevolking van de nodige troost te voorzien na het harde werken. Dat kantoorwerkers zich hier elke avond volgieten om het gekaffer van hun baas even te vergeten was mij bekend. Maar het was een aangename verrassing dat Nakamura-san ook kan drinken als een oude zeeman.

Een andere bevreemdende ontmoeting vond plaats in Shinjuku, waar ik zojuist bij het postkantoor een pakketje naar Nederland op de post had gedaan. Nietsvermoedend liep ik de hoek om bij een filiaal van een grote elektronicazaak, waar ik plots in uitstekend Engels werd aangesproken door een Japanner van middelbare leeftijd. Instinctief dacht ik erover de man vriendelijk af te wimpelen en mijn weg te vervolgen. Echter, het gebeurt niet dagelijks dat een Japanner je zomaar aanspreekt op straat, dus ik besloot te luisteren naar wat hij mij wilde vertellen. Hoewel hij zijn naam niet prijsgaf, bleek de man salaryman bij een grote bank in Tokyo en bovenmatig geeïnteresseerd in Europa. Alvorens ik deze informatie te weten kwam moest ik gewillig een spervuur van vragen ondergaan. Waar Japanners te boek staan als uitermate gereserveerd tegenover vreemde landgenoten, geldt deze regel schijnbaar niet voor mensen uit den vreemde. Geduldig antwoordde ik dat ik uit Nederland kwam, dat daar in tegenstelling tot Japanse opvattingen geen Duits wordt gesproken en bracht ik de man in opperste extase door te vertellen dat de meeste Nederlanders zich min of meer kunnen redden in het Engels. Nu was het hek van de dam, want ik moest nu alles vertellen over landen in Europa waar ik op bezoek was geweest en hoeveel talen ik wel niet sprak. Bij het noemen van Frans lichtten de ogen van de salaryman op en sprak hij me in vloeiend Frans aan. Nadat ik hem toegaf dat mijn Frans niet geweldig is, schakelden we weer over op Engels en vroeg ik de man of hij al in Europa was geweest. Zonder aarzelen antwoordde de salaryman dat hij nog nooit in het buitenland was geweest en er waarschijnlijk ook niet zou komen. Op mijn vraag waarom hij dan in hemelsnaam Frans en Duits zo vloeiend sprak kwam geen antwoord. Blijkbaar was het gesprek zo plots als het begonnen was ten einde gekomen, want ik werd met enkele geestdriftige buigingen bedankt, waarna de man in een oogwenk weer in de massa verdween. Knipperend met mijn ogen besloot ik het er maar op te houden dat ik te maken had gehad met de Japanse minderheid die wel in het buitenland geïnteresseerd is. Het systeem had hem vermoedelijk in de rol van bankmedewerker gedwongen, maar de belangstelling voor vreemde talen was blijven bestaan. Zijn ei niet kwijt kunnende bij collega's, had hij waarschijnlijk de eerste de beste buitenlander op straat aangesproken, omdat deze buiten het systeem staan en dus rustig als proefkonijn benut kunnen worden om aannames te testen of, zoals in dit geval, een vreemde taal te oefenen.

Een voor buitenlanders veel onbegrijpelijker ventiel van de Japanse maatschappij, vormt de studententijd van veel Japanners. De meeste jongeren hebben tot aan het toelatingsexamen voor de universiteit met man en macht gestudeerd, of zijn hiertoe in ieder geval gedwongen door hun ouders. Hoewel de overheid in de jaren negentig maatregelen heeft getroffen om overspannenheid onder scholieren terug te dringen door lesuren te verminderen, hebben veel ouders dit gecompenseerd door hun kroost naar de Juku te sturen. Deze Juku, ook wel cramschool (stamp-school) genoemd, moet de jongelui klaarstomen om de immense horde van het toelatingsexamen van de universiteit te nemen. Het gaat hierbij niet zozeer om kennis die later nog wel eens van pas zou kunnen komen, maar veeleer om het uit het hoofd leren van feiten en nog eens feiten.
Het leren van feiten kan op zich geen kwaad, maar de uit het hoofd geleerde stof wordt door toedoen van het Japanse universitaire systeem weer net zo hard vergeten. Zodra de student binnen is, leidt deze een luizenleventje waarbij her en der vakken gevolgd worden. Zo hebben een paar van mijn kennissen bij de Waseda International Club Duits in hun pakket. Wanneer ik ze echter vraag of ze er ook echt Duits leren spreken, blijkt dat niet het geval. Het vak fungeert vooral als opvulling voor het aantal punten dat in een jaar behaald moet worden. Basisgrammatica en woorden krijgt men wel onderwezen, maar het beperkt zich vooral tot het middelbare school Duits dat in Nederland wordt onderwezen. Bij navraag blijken ook colleges voor inhoudelijke vakken als handel en economie zeer merkwaardig te zijn opgebouwd. De professor verwacht van zijn studenten dat ze naar zijn klas komen en zijn verhaal aanhoren. Vragen stelt men nauwelijks en ruimte voor een kritische noot is er niet. Deze colleges zijn het meest populair bij de Japanse studenten, omdat de hoeveelheid studenten zo immens is dat het niet opvalt als men een aantal keer niet komt. Aanwezigheid wordt niet afgenomen, men test de studenten middels ellenlange rapporten die in essentie een transcriptie vormen van hetgeen de professor heeft verteld. Aan synthese, uit het vertelde de kern halen, wordt geen aandacht besteed en de student heeft het vak op voorhand al gehaald als aan de woordlimiet van het gestelde essay wordt voldaan.

Wat de student dan wel doet in zijn universitaire tijd, is plezier maken en bijwerken om dat plezier te kunnen betalen. Net als in andere landen beschikt de Japanse universiteit over een aantal verenigingen die zich met uiteenlopende activiteiten als roeien, kendo, katten houden (!) en fotografie bezig houden. Wat wel opvalt is dat deze zogenaamde circles talrijker zijn dan in welk land dan ook, er is voor elke niche wel een circle in het leven geroepen. Uiteraard staan niet alleen maar serieuze bijeenkomsten op het programma, omdat er ook gedronken moet worden en gezocht worden naar een leuke partner. Zo is het hier algemeen bekend dat de Tenniscircle zijn naam geen eer aan doet en een dekmantel is voor diegenen die met enige regelmaat flink willen drinken.
De oplettende lezer vraagt zich nu wellicht af hoe de Japanse student met al deze pleziermakerij het ook nog kan opbrengen om hoge cijfers te halen om een goede baan te krijgen. Welnu, vanmiddag werden mijn zorgen in deze ontzenuwd, want in de les vertelde een Japanse vrijwilliger dat de toekomstige werkgever niet zozeer op cijfers let, maar meer op de mate waarin de sollicitant de zogenaamde shushokukatsudou meester is. Deze etiquette schrijft voor hoe een potentiële werknemer zich moet richten naar zijn toekomstige werkgever en heeft niets te maken met competentie maar alles met de standenmaatschappij en het op de juiste manier bewieroken van de superieur. Op deze manier lijkt men verzekerd te zijn van een werknemer die zich, zoals ik reeds eerder schreef, in de bedrijfsstructuur kan inpassen en de al dan niet nog ontbrekende vaardigheden worden intern aangeleerd. Dit alles in het achterhoofd houdende is het niet vreemd dat veel Japanse studenten tussen het binnenkomen van de universiteit en het solliciteren naar een baan niet al te hard studeren, omdat dit de enige tijd in hun leven is waarin de enorme druk die de maatschappij op hen uitoefent op min of meer legitieme wijze een aantal jaren kan worden afgewend.

Ik hoop dat ik middels deze drie voorbeelden duidelijk heb kunnen maken dat de Japanse maatschappij zeker niet de mierenhoop is, een metafoor die westerse media graag gebruiken. Het is waar dat de discipline en verplichtingen hier veel sterker drukken op de mensen dan in Europa, maar uiteindelijk zijn de Japanners gewoon mensen als u en ik en hebben ze hun reputatien eer aandoende, typisch Japanse ontsnappingsmogelijkheden bedacht.

donderdag 7 juli 2011

Arietty in Holland

Het zal de frequente bezoeker zeker opgevallen zijn dat één van de twee mannen uit de titel zeer actief is, waar de ander al bijna een jaar niets meer heeft geschreven. Dat is geenszins te wijten aan een writer's block: aan ideeën en inspiratie geen gebrek. Echter, volgens het principe van de shisōsetsu, de Japanse ik-roman, mag er niet geschreven worden over wat de schrijver zelf niet meemaakt. Gelukkig is er zo nu en dan een stukje Japan in Nederland.

Want vandaag verscheen in de nrc.next een recensie van maar liefst twee tabloidpagina's breed over de nieuwe tekenfilm van Studio Ghibli. Ofja, nieuw? Schreef Pim daar bijna een jaar geleden niet ook al over? Inderdaad, Karigurashi no Arietty heeft er maar liefst een jaar over gedaan om Nederland te bereiken.



Ofschoon de recensent van nrc.next zich lovend uitspreekt over het verhaal, labelt hij hem toch als kinderfilm. Terwijl in Japan jong en oud van het werk van Studio Ghibli geniet: sinds het begin symboliseren de plots een set aan normen en waarden die Japanners graag met elkaar delen. Het is een principe waar de Fabeltjeskrant zich ook al van bediende: terwijl kinderen genieten van de knuffelbare personages, zien volwassenen de serieuze boodschap. Iets wat de recensent in deze film helaas mist. Dit verklaart echter wel meteen waarom een recensie van genrebroeder Cars 2 van Pixar op dezelfde pagina staat: ook deze animatiestudio verpakt haar maatschappijkritiek in tekenfilms, en ook deze animatiestudio is daar deze keer volgens de recensent niet goed in geslaagd.

Toch acht ik het belangrijk om een onderscheid tussen de twee aan te brengen. Amerikaanse filmstudio's besluiten tot het maken van een film onder andere op basis van verkoopbaarheid, smaak en beoogde doelgroep. Vroeger resulteerde dat in goedkope video-releases (is er iemand die The Lion King 2 heeft gezien?) die mee hopen te liften op het succes van de eerdere bioscoopfilm. Tegenwoordig krijgen de meeste vervolgen gewoon een bioscoop-release. Wat te denken van Shrek 2, 3, 4 en de spin-off Puss-In-Boots? Dat de kwaliteit met ieder deel afneemt deert de filmbazen niet: als er maar geld blijft binnenkomen. Ik voorspel voor de komende 10 jaar nog minstens 3 Shrek-delen.



Het is een trend waar - helaas - ook Pixar voor is gevallen. De Toy Story-trilogie vormt een positieve uitzondering op de regel, simpelweg vanwege het enorme potentieel dat het concept van levend speelgoed - mits goed uitgewerkt - bezit. Maar dat de originele Cars ook al werd gekwalificeerd als middelmatige kinderfilm, mocht blijkbaar niet baten. En Pixar is nog niet klaar: voor volgend jaar staat Monsters Inc. 2 op de planning. Het lijkt een kwestie van tijd voordat we Finding Nemo 2, Up 2 en Wall-E 2 mogen verwachten.

En in dat opzicht vind ik het onjuist dat de nieuwe Ghibli-film als makkelijk tussendoortje tot de nieuwe Miyazaki-rolprent af is, wordt beschouwd. Waar we in het Westen blijkbaar graag voortborduren op eerdere successen, door middel van het herhalen van bewezen publieksfavorieten, bewerkt Studio Ghibli telkens weer een origineel verhaal tot hetzelfde thema. En dat is geen enkel probleem: traditionele Disney-films draaiden ook meer dan 50 jaar om dezelfde thematiek: het frisse is juist hoe de makers door middel van een nieuw verhaal met nieuwe personages tot dezelfde conclusie komen. Wat dat betreft is de voorsprong van Studio Ghibli op Pixar nog steeds erg groot.

woensdag 6 juli 2011

Land van rituelen

Waarde lezer, ik moet bekennen dat ik u de laatste tijd in de kou heb laten staan wat betreft het bijwerken van mijn blog. Echter, vreest niet, ik heb het nog steeds naar mijn zin in Japan en ga de laatste vijf weken van het eerste semester in. Naast het feit dat ik nu langer dan vorige zomer Japanse les volg in het land zelf, ben ik nu ook de langste periode tot nu toe in Japan. Hoewel ik mijn ervaringen nog lang niet mag rekenen tot de groep westerlingen die hier permanent woont, begint mijn kijk op het land door de drie maanden dat ik hier nu zit de toeristische fase te ontstijgen. Derhalve wil ik in de lijn van mijn vorige blogpost weer enkele van deze inzichten met jullie delen.

Zoals ik al eerder vermeldde, hechten de Japanners ogenschijnlijk zeer veel waarde aan hun tradities. Met name de goede gewoonte om alles, maar dan ook alles volgens vaste rituelen te laten verlopen is overal goed te zien. In tegenstelling tot Nederland wordt het niet erg gewaardeerd als een individu voor zichzelf denkt. Immers, met al die onvoorspelbaarheid komt de harmonie in de maatschappij onheroeppelijk in het gedrang. Het geloof dat de maatschappij gebaat is bij nauwkeurige, al dan niet ongeschreven vaste regels is rotsvast. Zo overhandigt de verkoper bij de Konbini (convenience store) om de hoek mij zonder uitzondering na het afrekenen mijn bonnetje, ook al zou het wel eens zo kunnen zijn dat ik dat helemaal niet nodig heb. Nu zullen er vast klachten geweest zijn over deze methode, omdat Japan een land is zonder prullenbakken op straat en het bonnetje derhalve meegenomen moet worden in de portemonnee, en thuis pas kan worden weggegooid. De simpele maar briljante oplossing van dit probleem is typisch Japans en draait om het eigenlijke probleem heen. Wat doet men namelijk? Men zet een kartonnen doosje op de toonbank, waar men na het afrekenen keurig netjes zijn bonnetje in kan doen. Op deze manier wordt voorkomen dat het betaalritueel wordt onderbroken en hoeft de eerbiedwaardige klant niet meer met een stapel bonnetjes van een half jaar in de portemonnee rond te lopen!

Nog een voorbeeld van de consistentie waarmee Japan aan haar rituelen vasthoudt,is de minder recent bedachte Seijin Shiki, ofwel de zogenaamde Coming of Age ceremony. De Japanse jeugdigen die de leeftijd van twintig jaar bereiken worden als volwassenen gezien en dragen daarbij traditionele Japanse kledij. De vrouwen gaan gekleed in een furisode, een kimono met lange mouwen en de mannen in Hakama, een soort wijde broek die men over een kimono aantrekt. Van vroeger uit is het de ceremonie niet louter bedoeld als uiterlijk vertoon, maar ook als gelegenheid waarbij de jeugdigen op hun nieuwe plichten als volwassene worden gewezen. Wederom een voorbeeld van de voorzorgsmaatregelen die worden getroffen om een harmonieuze voorzetting van de samenleving te garanderen.
De prachtige plaatjes van onder andere de Japanse dames in Furisode, verleidden mij een eerst tot het vaststellen dat Japan ondanks alle moderne verworvenheden een knappe hybride staat tussen nieuw en oud weet te handhaven. Echter, de Seijin Shiki is lang niet zo onveranderlijk en verankerd in de Japanse maatschappij als deze lijkt. Zo heeft men leentjebuur gespeelt bij de westerse jaren '20 stijl en draperen de meisjes tegenwoordig een nogal ordinair aandoend bontje over hun kimono. Ook heeft de haarstijl een verandering doorgemaakt. Waar de haren eerst nog met een ingewikkelde set kammen in vorm werden gebracht, is de coupe tegenwoordig heel wat losser en doet ze wel denken aan de haarstijlen die Amerikaanse meisjes zich aanmeten als ze een promnight bezoeken. Ook de introductie van het fototoestel in Japan heeft de Seijinshiki ingrijpend doen veranderen. Zo zijn verscheidene fotostudio's waar men de nieuw-volwassenen op de gevoelige plaat kan laten vastleggen in hoog tempo opgestart. Reeds maanden van tevoren loopt het hier al storm, want een hele generatie twintig-jarigen maakt gebruik van deze dienst. Waar je als westerse romanticus zou verwachten dat de foto's bij een tempel worden genomen of in een schilderachtig steegje, is de werkelijkheid ietwat anders. Zo gebruiken sommige studio's een imposante westerse trap die niet zou misstaan in een Brits landhuis als achtergrond. Ook komen achtergronden voorbij die meer weg hebben van de achtergrond die bij een schoolfoto wordt gebruikt. Voorts is het met de vermogens om zelf de ceremoniële kledij voor de Seijinshiki aan te trekken niet erg goed gesteld. De meisjes en jongens zijn vertrouwder met hun jeans dan met de kimono, en deze wordt dan ook aangetrokken door speciale vakmensen die speciaal voor dit doel een studio hebben opgestart.

Je zou uiteindelijk kunnen stellen dat de Seijin shiki eenzelfde kant opgaat als het dragen van traditionele kleding in een lokatie dichter bij huis, namelijk Volendam. Ook in Nederland dragen we allang geen klederdracht meer en wordt de traditie louter nog uitgevoerd voor de toeristen en Volendamse families die hun verbondenheid met het dorp en de 'Volendamse traditie' willen laten vereeuwigen. Hoewel de Seijin Shiki in Japan meer voor lijkt te stellen dan louter een leuke foto voor aan de muur, hebben veel Japanse jongeren geen vastomlijnd idee van de verantwoordelijkheden die de volwassenwordingsceremonie hun opdraagt. Het fotograferen kan derhalve misschien gezien worden als een poging om, net als in het geval van Volendam, een traditie te suggereren, terwijl deze in het moderne Japan haar betekenis al heeft verloren.

woensdag 1 juni 2011

Schijn boven Waarheid, Vorm boven Functie

Waarde bezoekers. In voorgaande blogs heb ik geprobeerd een indruk te geven van het opstarten van mijn studentenleven aan Waseda. Echter, inmiddels zit ik reeds in de vierde week van mijn colleges en begint de gang naar de Waseda campus al bijna net zo ingesleten te raken als de weg naar het Leidse Arsenaal. Het was even aftasten of de klassen die volg bij mijn Japans niveau passen, maar langzaam maar zeker begint verloren gewaande taalkennis uit de bachelor weer terug te keren. Naast basisvaardigheden als lezen, schrijven en spreken, volg ik ook een aantal literatuurlessen. We lezen korte stukjes oude en moderne literatuur zodat ik alvast aan het leeswerk voor mijn literatuurscriptie kan wennen. Echter, hoe routineus ook de lessen mogen verlopen, het dagelijks leven doet dat allerminst. Iedere dag geniet ik weer van vondsten die het leven hier zo aangenaam maken. Maar, tegenover de aangename kanten van deze maatschappij staat ook een aantal minder fijne zaken. Derhalve lijkt het me, als tegenwicht tegen de blogs waarin ik de loftrompet steek over Japan, een goed idee om een beschouwing te geven over de vrijheid die men opgeeft om de maatschappij te laten functioneren. Ik zal dit doen aan de hand van een aantal voorbeelden van de Japanse televisie en van zaken die ik buiten op straat en op de universiteit waarneem.

De Japanse televisie is, zoals sommigen van jullie weten, een verhaal apart. Het wemelt op het westerse internet van bizarre filmpjes die hier zijn uitgezonden. Van human tetris tot travestieten, je kunt het zo gek niet bedenken of het is hier al eens voorbij gekomen. Hoewel niet uitsluitend dit soort bizarre spelshows wordt vertoond, bestaat het leeuwendeel van de programmering inderdaad uit een wonderlijke mix tussen spelelement en reclame. Zo mocht ik gisteren genieten van een spelshow met Boeddhistische monniken, die in vol ornaat in de studio zaten en deelnemers aan de quiz uitermate moeilijke vragen stelden over hun geloofssysteem. Uiteraard hadden de meeste kandidaten de vraag fout, waarop een lachsalvo werd ingezet dat wel van een band afkomstig moest zijn. Het doel van de show was me niet geheel duidelijk, maar in de lijn van de Grote Geschiedenis Quiz in Nederland zou het kunnen zijn dat men de 'oorspronkelijke' Japanse cultuur weer op de kaart wil zetten. Door aan te tonen dat kandidaten veel vragen fout hebben (hoewel deze ver boven het niveau van algemene ontwikkeling uitstijgen) geven de tv-makers aan dat kennis van het oorspronkelijke Japan ernstig is verwaterd en dat men hier wat aan moet doen voor het te laat is. In werkelijkheid valt het wel mee met de verwatering van de Japanse geloven als Shinto en Boeddhisme, aangezien de meeste feestdagen nog steeds volgens de traditie worden gevierd, zij het vaak in modernere vorm. De flexibiliteit in de manier waarop Japanners hun geloof uiten is juist de charme ervan, een auto wordt net zo makkelijk ingezegend bij de Shinto tempel als rijdieren die de reiziger moesten vervoeren in vroegere tijden. Het kan dus wellicht als stemmingmakerij worden gezien dat programma's als het voornoemde oproepen tot bescherming van 'de' Japanse cultuur. Deze heeft zich door de eeuwen heen juist gekenmerkt door overname van bruikbare elementen uit het buitenland, die naderhand geperfectioneerd werden. Naar de reden van dergelijke propaganda voor het herstellen van Japanse waarden hoeft men niet lang te gissen. Het is in de huidige geglobaliseerde wereld moeilijker geworden om je als cultuur te onderscheiden, omdat de mensheid er door alle communicatiemiddelen van tegenwoordig achterkomt dat totaal verschillende volkeren toch meer op elkaar lijken dan gedacht. Met name Japan, dat zich periodiek afzonderde van eerst het Aziatische vasteland en later het westen, gaat er prat op dat het alles net even anders doet dan de rest van de wereld. Ik vermoed dat de Japanners vrezen dat deze eigenschap van 'andersheid' verloren gaat als deze niet wordt gecultiveerd. Erger nog, het groepsgevoel dat de Japanse natie voordrijft zou wel eens verloren kunnen gaan door het overnemen van buitenlandse invloeden! Derhalve is het niet vreemd te noemen dat om het 'Ware ware Nihonjin' (wij Japanners) te beschermen een nationalistische ondertoon regelmatig is terug te vinden in de tv-programma's.

Een ander aspect van de Japanse maatschappij waarbij de schone schijn prevaleert boven harde feiten, is de manier waarop men omgaat met afvalscheiding en het milieu. Het is een feit dat Japan de grootste dichtheid verkoopautomaten ter wereld kent. Op iedere straathoek staat wel een automaat die verschillende soorten mineraalwater, frisdranken en koffie serveert. De uitgifte verloopt in luttele seconden, het yen muntstuk is nog niet ingeworpen of het gekozen product ligt al in de uitgiftebak. En ware het nog niet genoeg dat iedere werknemer met haast om de tien meter een drankje kan kopen, er zijn ook automaten die stropdassen, onderbroeken en zelfs bananen verkopen. Al dit comfort heeft echter ook een keerzijde: het slurpt stroom en de hoeveelheid lege flesjes en blikjes die na het nuttigen van het product overblijft is ontzagwekkend. Hoewel de milieubeweging in Japan niet op dezelfde manier van zich laat horen (of gehoord wordt) als bewegingen in Nederland, realiseert men zich de laatste jaren wel dat er wat aan het stroomverbruik gedaan kan worden. s' Nachts gaat de verlichting van de automaten uit, hetgeen op een aantal van tienduizenden automaten in alleen al Tokyo aanmerkelijk kan schelen. Wat men dan weer uit het oog verliest, is dat teneinde de automaten toch vindbaar te maken tijdens de nachtelijke uurtjes, patronen bestaande uit gekleurde lampjes over de automaten heenlopen. Alhoewel deze minder stroom verbruiken dan de volledige verlichting, wordt de besparing volgens mij voor een substantieel deel tenietgedaan. Klantvriendelijkheid, oftewel het vergemakkelijken van het leven van de salaryman die tot één uur overwerkt om zijn bedrijf, en indirect de Japanse economie draaiende te houden, weegt zwaarder dan het milieu. Ook het afval van de automaten vormt geen reden om ze af te schaffen. Hoewel Japan om de een of andere reden een chronisch gebrek kent aan prullenbakken, zijn deze bij de automaten in overvloed te vinden.



De pet-flessen en blikjes hebben ieder zelfs een apart gat, zodat de Japanse burger met een gerust hart kan denken dat hij een steentje bijdraagt aan de afvalscheiding. Let wel, in werkelijkheid worden de flesjes en blikjes niet gescheiden, maar vallen ze gewoon in dezelfde bak. Toen ik namelijk op een groot pompstation achter de façade van gaatjes voor verschillende maten flessen, blikjes en zelfs dopjes keek, bleken ze allen bij elkaar terecht te komen. Na deze ontluisterende ontdekking dacht ik waarom men in hemelsnaam pretendeert te scheiden, als er niet echt gescheiden wordt. Echter, ook hier weer prevaleert het in standhouden van het idee dat Japanners met zijn allen afval scheiden boven de realiteit.

Een derde opmerkelijke kant van het Japan dat ik op het moment meemaak, is de houding ten opzichte van opleiding en werk. Waar het in het westen en met name in Nederland tegenwoordig vooral gaat om plezier in je werk, heerst in Japan een aanzienlijk minder persoonlijke kijk op het arbeidzame werken. De werknemer is er vooral om gigantische bedrijven als Mitsubishi, Sumitomo en Matsushita draaiende te houden en het persoonlijke succesgevoel komt op het tweede plan of is zelfs helemaal niet van belang. Dit vertaalt zich naar mijn mening al in de studiehouding van veel studenten aan de Waseda universiteit. In tegenstelling tot wat veel stereotype verhalen de westerling doen geloven, zitten Japanse studenten al lang niet meer dag en nacht achter de boeken om de ene tien na de andere tien binnen te slepen. Nee, de noodzakelijke kennis is er ingeramd op de de middelbare school en tijdens de ontzagwekkend moeilijke toelatingsexamens voor Waseda. Hoewel de Japanners door deze aanpak aanzienlijk meer gedichten en geschiedenis uit het hoofd kennen dan de gemiddelde Nederlander, gaat deze kennis voor een deel verloren tijdens de universiteitsjaren. Het Japanse systeem is namelijk in tegenstelling tot ons Nederlandse meritocratische onderwijsmodel geschoeid op afkomst en vriendjespolitiek. Uiteraard is het in Nederland in werkelijkheid ook belangrijker dat je de juiste mensen leert kennen die je een baan kunnen bezorgen, maar het is in tegenstelling tot Japan makkelijker om toch op basis van prestaties een baan te krijgen.
Hoewel er in Nederland een zesjescultuur heerst, is er om tentamens te halen en af te studeren toch heel wat meer inspanning nodig dan in Japan. Op Waseda zien de meeste studenten hun studie vooral als een opleiding, waarbij men her en der wat vakken volgt die wel interessant staan op het diploma. Zo is een kennis van me geregistreerd bij de Economie faculteit,maar volgt hij ook een bijvak Duits, puur uit interesse. Of hij daadwerkelijk Duits leert, doet er niet zoveel toe, zijn tijd is gevuld en de credits die benodigd zijn om het jaar te halen worden zonder veel moeilijkheden toegekend. Het huiswerk voor colleges bestaat vooral uit het leren van rijtjes of maken van niet al te moeilijke oefeningen. En als een moeilijke tekst wordt gelezen, is het nadrukkelijk niet de bedoeling om deze eens flink af te breken voor de ogen van de leraar. Nee, het is belangrijker dat de grote lijn wordt gesnapt en dat men het vooral eens is over de eenduidige koers die moet worden gevaren als een bepaald economisch probleem zich voordoet.

De Japanse universiteit kenmerkt zich over het algemeen niet door het cultiveren van een hoge graad van kritisch denkvermogen of het schrijven van grensverleggende papers. Er zijn uitzonderingen als Tokyo University, een universiteit die zich met westerse research universiteiten kan meten, maar de meeste universiteiten functioneren als kleine stadjes op zich, waar de Japanse jeugd een aantal jaren de kans heeft om zichzelf te ontdekken en plezier te maken. Nadat men slaagt voor de universiteit, begint voor velen namelijk het lange, eentonige leven van salaryman die tientallen jaren lang hetzelfde bedrijf dient. Hoewel de laatste jaren meer jongeren een dergelijk toekomstperspectief weigeren en het lifetime employment op de tocht staat, is een dergelijke mechanistische visie op het arbeidzame leven nog altijd populair. Het wordt vaak als egoïstisch gezien dat een werknemer vooral een leuke baan heeft, dat dient immers niet het belang van het bedrijf en, op grotere schaal, de Japanse natie. De kersvers afgestudeerde kan ook wel gezien worden als een nieuw radertje in het systeem dat Japan draaiende houdt. Daarom is het niet verwonderlijk dat de meeste studenten het ervan nemen als ze nog niet in de tredmolen van hun arbeidzame leven zitten. Tijd lijkt hier op Waseda vooral te worden besteed aan clubs (er is zelfs een club die zich ten doel heeft gesteld om katten te houden op de campus), bijbaantjes en drinkgelagen. Daarnaast komt het spook van de 'shuushokukatsudou' (ruwweg te vertalen als banenjacht)de laatste twee jaren van de studie de hoek om kijken. Tijdens deze banenjacht is het de bedoeling om middels een voor buitenlanders onbegrijpelijk systeem van interviews en lijsten met nevenfuncties die vervuld zijn tijdens het studentenleven indruk te maken op de toekomstige werkgever. Ik heb me laten vertellen dat status belangrijker is dan een lijst met hoge cijfers, dus wie een toppositie bij een bank ambieert kan veel beter de juiste mensen leren kennen dan zich wekenlang in de universiteitsbibliotheek op te sluiten.

Bovengenoemde voorbeelden van Japanse televisie, verkoopautomaten en universtiteitscultuur vormen volgens mij genoeg bewijs dat in Japan vorm nog steeds boven functie prevaleert. Het ophouden van de schone schijn teneinde de groep mensen die Japan en haar onderdelen vormen bijeen te houden is nog altijd belangrijker dan het boven tafel brengen van een minder vleiende waarheid. Wat het in mijn ogen oplevert is aan de ene kant een maatschappij met onnodig xenofobe sentimenten, aanzienlijke energieverspilling en afvalproblemen en een generatie jongeren die niet opgeleid wordt om het beste uit zichzelf te halen, maar zich in het oude keurslijf van traditie en vriendjespoltiek stort als het om het vinden van een baan gaat. Aan de andere kant levert een dergelijke nadruk op het belang van de groep een indrukwekkend gevoel van saamhorigheid op en het ontbreken van zichtbare wrijving omdat iedereen een andere kant op wil levert ontegenzeggelijk ook grote voordelen op. Voorts is een stad als Tokyo zo leefbaar omdat iedereen meedraait in het systeem. Omdat iedereen baat heeft bij het gebruik van de vele automaten worden deze nooit vernield en het gebruiksgemak van de machines kan in veel sombere dagen een welkom lichtpuntje betekenen. Hetzelfde kan wellicht gezegd worden over de banenjacht. Deze volstrekt niet meritocratische manier van het vinden van een baan mag dan wel niet de meest cijfermatig gekwalificeerde werknemer opleveren, je hebt wel iemand die meedraait in de bestaande bedrijfscultuur en zich perfect weet aan te passen. De nadruk op het belang van de groep en het kennen van je eigen plaats is, zeker in de hedendaagse Nederlandse maatschappij, een concept dat ons vreemd in de oren klinkt. Echter, het biedt volgens mij een verfrissend perspectief op het inrichten van de maatschappij al ben ik het niet met alle methoden van de Japanners eens. In elk geval is het een geruststelling om te weten dat er ook interessante alternatieven zijn in het 'ik-tijdperk'.

zondag 15 mei 2011

Proeven aan Waseda

Waarde lezer. De afgelopen week heb ik doorgebracht met proefcolleges, het oriënteren op de activiteiten van de fotoclub waar ik lid van wil worden en een nacht in het Japanse uitgaansleven voor buitenlanders. Voor de proefcolleges had ik me ingeschreven voor een aantal cursussen die ik wil volgen, maar er was gelukkig alle gelegenheid om ook proefcolleges te volgen die me pas halverwege de week waren opgevallen. Na heel wat passen en meten heb ik een programma samengesteld waarin ik mijn basis-Japans weer kan ophalen en volg ik enkele inhoudelijke vakken. Zo lijkt het college schrijfvaardigheid me zeer nuttig om een fatsoenlijke paper in het Japans te kunnen schrijven en volg ik twee colleges waar we gezamenlijk korte Japanse verhalen zullen lezen. Van mijn eerste echte academische week en voornoemde pleziermakerij wil ik jullie graag verslag doen middels deze blog.

Een dag met colleges aan de Waseda-universiteit is opgebouwd uit zeven perioden. Iedere periode beslaat anderhalf uur, hetgeen twee keer zo lang is dan een enkel collegeuur in Leiden. Tussen de perioden vindt een pauze plaats van tien minuten, die door de geringe afstand tussen alle gebouwen waar ik college heb afdoende is om van het ene college naar het andere te gaan. De uitgestrektheid van de Waseda campus is wel enigszins te vergelijken met de afstanden tussen de universitaire gebouwen in de Leidse binnenstad. Echter, waar de Leidse universiteit meer een deel is van de stad, lijkt Waseda meer op een autonoom stadje in de Nishi Waseda wijk van Tokyo. Zo beschikt elk universitair gebouw van enig formaat over een Konbini (Japanse afkorting van Convenience Store) waar niet alleen broodjes en koffie worden verkocht, maar ook zaken als een nieuwe panty of een deodorantflesje kunnen worden ingeslagen. Je wilt immers niet met een ladder in je panty gezien worden in een cultuur waar uiterlijke verzorging hoog in het vaandel staat en al helemaal geen zweetlucht verspreiden tijdens de snikhete Japanse zomers. Voorts zijn de konbini alle voorzien van kopieerapparaten voor de student die zijn werkstuk tussen de colleges door even wil printen en is de aanwezigheid van een geldautomaat een uitkomst, omdat er in Japan nog veel met cash wordt betaald.

Mijn colleges worden voornamelijk gegeven in gebouw 22, aan de noordzijde van de campus. Dit gebouw huisvest naast het centrum voor Internatonal Education het Talencentrum, dat mijn programma van 別科日本語専修課程 (Bekka Nihongo Senshuukatei, oftewel speciaal college specificatie Japans)verzorgt. Omdat het talencentrum niet alleen lessen Japans samenstelt voor buitenlandse studenten, maar ook samenwerkt met de Graduate School of Japanese Linguistics kan er worden ingespeeld op de nieuwste inzichten in taalverwerving en taalkunde. Zo hanteert men, verrassend genoeg, een aanpak die veel lijkt op de Leidse manier van taalverwerving. In plaats van teksten in hun geheel te lezen en alles van buiten te leren, is het belangrijker om zinnen en woordenschat te verwerven die van nut zijn in het dagelijks leven. Wel is de structuur van het programma beter te noemen dan in Leiden, omdat de onderdelen als spreken, luisteren en karakters schrijven in de cursus Communicatief Japans die ik volg nauw op elkaar aansluiten. Het is met name prettig dat de karakters naar orde van veelvoorkomendheid worden aangeboden. Zodoende is het makkelijker om een basis op te bouwen dan in het geval van de kanji toetsen in Leiden, waarbij alle kanji uit een tekst die toevallig over internationale betrekkingen gaat moeten worden geleerd. Uiteraard toont degene die een dergelijk vocabulaire onder de knie krijgt blijk van inzet als hij de toets maakt, maar de geleerde karakters worden weer net zo hard vergeten als ze ver boven het eigenlijke niveau van die persoon zijn.

Ook het college 'Reading Japananese Short Stories' was verrassend, omdat hier in plaats van een vooraf gestelde canon van korte verhalen sprake was van eigen inbreng van de studenten. Voor het eerste proefcollege stond een verhaal van Murakami Haruki op het programma, maar bij de volgende colleges is het de bedoeling dat we zelf verhalen aandragen die we de moeite van het bespreken waard vinden. Door vervolgens het verhaal thuis alvast te lezen en de kernzin, onduidelijke delen en andere aantekeningen op een opdrachtenvel in te vullen, worden we getraind in het lezen van Japanse literatuur. Het college 'Immersing in the Literature' borduurt hier op voort en gaat dieper in op het gevoel dat literatuur bij de lezer ervan teweeg brengt. Door eerst in de klas te discussiëren over de verschillende gevoelens die een tekst bij verschillende lezers teweeg brengt, kan een dieper begrip van de manier waarop literatuur werkt, of niet werkt, worden verkregen. Al met al blijkt de aanpak bij deze literatuurcolleges progressiever dan ik had gedacht en ik kijk dan ook uit naar de eerste reguliere colleges aankomende week.

Naast het leeraspect is natuurlijk ook het sociale leven op de campus van belang. Waseda is één van de internationalere universiteiten van Japan, hetgeen al blijkt in mijn college taalverwerving. Ik zit met studenten uit Saudi-Arabië, Korea en de Verenigde Staten in de klas en uiteraard communiceren we met elkaar in het Japans. Als internationale student is het wel wat lastig om het Japanse studentenleven binnen te dringen, aangezien de gewoonte van de Japanners om alles in een vaste groep te doen zich ook vertaald naar de universiteit. Als je als buitenlandse student in contact wil komen met Japanse studenten, is het zaak dat jij naar een bepaalde club toegaat en zelf het initatief neemt om lid te worden. Als je eenmaal lid bent van een club is het wel zaak om er regelmatig te komen, want er wordt erg veel waarde gehecht aan het groepsgevoel dat zo kan ontstaan. Als westerse student die gewend is aan het zelf bepalen wanneer je wel of geen zin hebt in het deelnemen aan je studie- of studentenvereniging is het zeker even wennen. Echter, doordat ik regelmatig de lunch gebruik met de leden van de Waseda International Club (WIC) en hun evenementen zo vaak mogelijk probeer te bezoeken begint men mij ook te kennen. Kortom, na de aanvankelijke schroom om verplichtingen aan te gaan te hebben overwonnen, blijkt hoe leuk het kan zijn om gewoon even bij elkaar te zitten en het met elkaar over de start van het nieuwe collegejaar te hebben.

Naast de Waseda International Club ben ik ook op zoek gegaan naar een club met een concreter doel en vond deze in de vorm van fotografieclub Scharade. Afgelopen vrijdag was de introductiebijeenkomst van de club waarbij ons een blik werd vergund op de donkere kamer van de club. Deze donkere kamer is, net als de clubruimte van Scharade in het 学生会館 (Gakuseikaikan, studentenclub gebouw) gevestigd. Aangezien Waseda de universiteit is met de meeste clubs van Japan is het bestaan van een dergelijk gebouw zeker gerechtvaardigd en de indeling van het gebouw bleek weer een staaltje van Japans compact bouwen te zijn. Rondom een centrale liftschaft is in carrévorm een twintigtal kamertjes van gelijke afmetingen gebouwd. In ieder kamertje kunnen de bestuursleden van clubs overleggen en kan het materiaal worden opgeborgen. Aan één zijde van de lift kan men vervolgens beschikken over een grote open ruimte met lange tafels, waar in dit geval de uitleg van Scharade werd gehouden. Op deze manier wordt de fragmentatie van bestuurslokalen, zoals in Leiden, voorkomen. Ook hoeft er nooit verhuisd te worden naar een ander lokaal, omdat de aanwezige ruimte maar één functie heeft.

Hoewel ik de indeling van het clubgebouw en het idee van de clubs op Waseda kan waarderen, was ik wel even verrast over de inhoud van de uitleg. Verwacht hebbende dat ons een uitlegsessie over fototechnieken en bewerking ten deel zou vallen, had ik voor de zekerheid mijn camera meegenomen. Echter, na het bezichtigen van de donkere kamer bleek de jongen die het woord voerde geen stof meer te hebben. De aanwezigen bleken duidelijk in hun vrijdagmiddag modus te zitten, want op een paar mensen na stelde niemand echt vragen over de activiteiten van de club. Gelukkig was er aansluitend een Nomikai (drinkgelag), alwaar we onder het genot van gefrituurde etenswaren en bier nader op de vereniging in konden gaan. Zo kwam ik te weten dat er onder andere een trip naar een fotografiewinkel op stapel staat en dat Scharade ook regelmatig natuurwandelingen organiseert, om zo gezamenlijk foto's te nemen van de omgeving.

Na de nomikai van Scharade wilde ik eigenlijk naar de dormitory gaan om bij te slapen, maar Joakim, een Noorse uitwisselingsstudent, haalde me over om met hem mee te gaan naar de Nomikai van de Niji no Kai (de andere internationale studentenclub). Daar aangekomen konden we nog het staartje van de tweede sessie meemaken. Veel van de aanwezigen waren naar goede gewoonte al flink in de olie, waardoor de gebruikelijke klompen en tulpen-riedel nog gretiger aftrek vond dan anders. Om elf uur was de tweede sessie afgelopen, maar één meisje van de Niji no Kai bleek haar verjaardag te willen vieren in Roppongi Hills. Dit beruchte uitgaansdistrict is beroemd om zijn clubs waar met name Amerikaanse buitenlanders een Japanse schone proberen te versieren en het is tevens één van de weinige plekken in Tokyo waar (door buitenlanders) gevochten wordt in de nachtelijke uurtjes. Dit klinkt gevaarlijker dan het is, want twee jaar geleden ging ik er ook uit en was er op twee vechtende buitenlanders geen sprake van een grimmige sfeer.
Er hangt veeleer een lachwekkende sfeer, omdat alle verhalen die je over het Roppongi leest voor je ogen bewaarheid worden. Zo werd ik een aantal malen benaderd door Thaise en Chinese dames, die me in gebroken Japans en Engels een massage aanboden. Resoluut werd ik door iemand van de Niji no Kai voorgeduwd als ik een dergelijk aanbod kreeg. Later vernam ik namelijk dat deze dames je hun massagesalon inlokken en je op dusdanige wijze diensten aanpraten dat je deze hoe dan ook niet kunt betalen. Zodra blijkt dat je niet over voldoende geld beschikt volgen er uiteraard minder vriendelijke zaken.

De hinderlaag van masseuses overleefd hebbende, kwamen we aan bij de Vanity Club. Mijn buurjongen in de dormitory had me toevertrouwd dat dit de meest fameuze club voor Gaijin (minder positieve term voor buitenlander, die als buitenstaander vertaald kan worden) in Tokyo is. Dit bleek inderdaad het geval, want de meest buitenissig uitgedoste Japanse meisjes verdrongen zich in de rij, terwijl smoezelig geklede Amerikanen zich grijnzend in diezelfde rij voegden. Het gevoel van algehele foutheid werd nog eens versterkt door het feit dat mannen 3500 yen toegang moesten betalen en vrouwen gratis naar binnen mochten. Eenmaal binnen bleek het aanwezige publiek tegen de dertig te lopen en duidelijk op zoek naar elkaar. Vanuit aangrenzende privé-lounges werd menige blik vol verlangen naar de dansvloer geworpen. Niet geheel positieve herinneringen aan schoolfeesten op de middelbare school kwamen prompt naar boven, maar we besloten er in te berusten en konden toch nog heel aardig dansen met de mensen van de Niji no Kai.

Na dit avontuur in de Japanse clubscene bracht ik de rest van het weekend door met een taalcollege op zaterdag en bijslapen na alle introducties en feestjes. Voor morgen staat een karaktertoets op het programma, en een Picknick met de mensen van de WIC in het Okuma park van de universiteit. Voorts zal er verderop in de week door de Niji no Kai een bijeenkomst georganiseerd worden waar we meer kunnen leren over de Japanse cultuur. De colleges die ik volg staan nu vast en ik hoop mijn eerste bezoek aan de gym te gaan brengen. Ik hoop in ieder geval dat jullie zo weer een duidelijker beeld hebben van mijn doen en laten in het Japanse. Blijft vooral deze blog bezoeken want binnenkort komen er ook weer nieuwe foto's op. Wederom bedankt en tot later!

maandag 9 mei 2011

Yokohama

Waarde lezers. Ietwat beschaamd moet ik toegeven dat ik de beloofde regelmaat van het bloggen nog niet heb kunnen waarmaken, maar bij deze wil ik jullie weer op de hoogte brengen van mijn gang van de afgelopen dagen. De oplettende lezer zal zich wel afvragen wanneer de lessen voor deze jongeman nu eens aanbreken. Welnu, afgelopen vrijdag volgde ik voor het eerst de grammaticaklas. Het betrof een introductie, dus werd de aanwezigen verzocht om een klein toetsje te maken ,teneinde het niveau vast te stellen. Omdat ik de instructies niet helemaal begrepen had, maakte ik meer fouten dan nodig, maar het was wel zeker dat er weer behoorlijk wat Japans op te halen valt. Gelukkig kon deze harde waarheid nog eventjes uitgesteld worden, want afgelopen zaterdag was het tijd voor de laatste nomikai van de Waseda International Club, alvorens de colleges echt beginnen.

Zoals jullie in vorige blogs al konden lezen, heb ik de afgelopen tijd met zowel WIC als de Niji no Kai opgetrokken. Hoewel beide clubs zich ten doel stellen om Japanse studenten met internationale studenten in contact te brengen, trekt de WIC in mijn ervaring meer Japanners aan die echt geïnteresseerd zijn in de buitenlandse studenten. Waar de mensen van Niji no Kai even vrijblijvend met die 'koddige' buitenlanders wilden praten, voelde ik me bij WIC aanmerkelijk minder een curiositeit. Waar ik bij de Niji no Kai niet verder kwam dan het windmolen- en tulpenverhaal wanneer er naar typisch Nederlandse zaken werd gevraagd, wist ik de WIC-leden er al snel van te overtuigen dat het Nederlands wel degelijk een taal is. Zelfs het poldermodel dat erg verschilt van de Japanse standenmaatschappij, werd na enige moeite min of meer 'gevat', alhoewel ik betwijfel of de essentie van de Nederlandse overlegcultuur echt doordrong tot de aanwezigen.

Dat de WIC-leden er naast een brede interesse ook stevige drinkgewoonten op na houden, mocht ik ervaren tijdens voornoemde nomikai. Net als bij vorige drinkgelagen, lieten de aanwezige Japanners hun gereserveerdheid varen naarmate het alcoholpromillage toenam en de tongen geraakten allengs losser. Zo vertrouwde ene Sho me toe dat hij Nederland altijd het land van zijn dromen had gevonden en dat hij er al jaren naartoe wilde afreizen. Na een stuk of tien glazen bier verkondigde hij zelfs op luide toon dat ik in hoogsteigen persoon het beeld dat hij van Nederland had nog rooskleuriger had gemaakt. Het bleef onduidelijk waarom dit zo was, aangezien ik slechts een nogal onsamenhangend verhaal over elektrische windmolens had opgehangen.

Het was dan ook opmerkelijk dat dezelfde Sho me de volgende dag vroeg om wat over windmolens te vertellen, terwijl we het daar nu juist de vorige avond te uit en te na over hadden gehad. We waren namelijk de volgende ochtend klokke 10:30 alweer op stap naar havenstad Yokohama, en de aanwezige WIC-leden slaagden er op verbazingwekkende wijze in om de uiterlijke gevolgen van het drankfestijn van de dag ervoor verborgen te houden. Hoewel ik Sho er aan probeerde te herinneren dat ik een halve spreekbeurt over windmolens had gehouden, bleef hij volharden, waarna ik mijn verhaal dan toch nog maar een keer vertelde.

De trip naar Yokohama van afgelopen zondag hield onder andere een bezoek aan het plaatselijke China Town in. Yokohama Chūkagai is het grootste China Town van Japan, en een populaire bestemming voor Japanners die niet willen afreizen naar China, maar toch een vleugje van de Chinese cultuur willen opsnuiven. Japanners zijn dol op het ontdekken van nieuwe zaken buiten hun eigen eiland, maar dit dient wel onder Japanse voorwaarden te gebeuren. Een dergelijke 'in vitro' benadering zorgt ervoor dat de Japanse bezoeker niet afhankelijk is van de 'onvoorspelbaarheid' van de Chinezen maar wel het echte China kan beleven. Gelukkig wordt het China Town wel bevolkt door echte Chinezen, die zich wel noodgedwongen aan de Japanse manier van reclame maken voor hun restaurants en andere gelegenheden houden. De 'irrasshaimase's' (komt u binnen) waren niet van de lucht en de Chinese bediening van het restaurant waar wij de lunch gebruikten deed zijn best om zo beleefd(=Japans) mogelijk te bedienen.

Na van dim-sum en andere Chinese lekkernijen te hebben genoten, togen we naar de haven van Yokohama om op de passagiersterminal de aangemeerde cruiseschepen te bekijken. Hier was het tijd voor uitgebreide fotosessies, maar niet van de cruiseschepen of het mooie uitzicht op de haven. Nee, ook hier werd naar goed Japans gebruik de gewoonte nagevolgd om van iedereen een foto te nemen, met iedere camera die meegebracht was. Een van de aanwezige uitwisselingsstudenten merkte op dat het veel handiger is om een foto te nemen en deze later te delen op een medium als facebook. Echter, ik vermoed dat je door met je eigen toestel een foto te nemen, en deze later op facebook te zetten, aangeeft dat je lid bent van de groep die op de foto staat. Door de groep vast te leggen erken je als het ware het bestaan van de groep en gaat het niet zozeer om het vastleggen van een uniek moment in Yokohama. Zelf heb ik vaak de neiging heb om een zo origineel mogelijk standpunt in te nemen met mijn fotocamera, en zodoende de waarde van de foto aan mijn individuele blik te ontlenen. Echter, als je het op Japanse wijze bekijkt, ontlenen de genomen foto's niet hun waarde aan de fotograaf. De waarde schuilt hem veeleer in het conformeren aan een gemeenschappelijke visie op Yokohama, namelijk dat het een toeristische plaats is waar iedere Japanner een keer geweest dient te zijn. Het doet er vervolgens niet toe dat hetzelfde standpunt al duizendmaal genomen is. Het belangrijkste lijkt dat men elkaar op de foto's terug ziet en op die manier een sterk groepsgevoel bewerkstelligt.

Na dit verhelderende inzicht bezochten we nog de oude pakhuizen van Yokohama, die in de Meiji-tijd dienst hadden gedaan als opslagplaats voor goederen uit het westen. De Japanners zouden echter de Japanners niet geweest zijn als ze de pakhuizen niet hadden omgetoverd tot een winkelcentrum, compleet met ijsfabriek en biercafe. Na deze geslaagde trip naar Yokohama was het tijd om voor te bereiden voor serieuze zaken, want vandaag zouden de eerste colleges plaatsvinden. Ik kan alvast verklappen dat het universitaire leven aan Waseda nog wel even wennen is. Weldra zal ik er een uitgebreide blog aan wijden.