dinsdag 3 augustus 2010

Japanse consumptiedrang pt. 2

Hoe je het ook wendt of keert, Japan staat sinds de na-oorlogse bezetting onder invloed van Amerika. Hoewel er veel zijn –met name oudere Japanners- die hier bepaald niet over te spreken zijn, denk ik dat juist die mengeling van Westerse consumptiemaatschappij en traditionele Japanse waarden dit land zo veel leuker maakt dan alle andere landen aan de Aziatische kant van de wereld.


Want consumeren, dat kunnen ze hier. Schreef Pim reeds eerder over mobiele telefoons en televisie; ik wil het graag over het fenomeen ‘mall’ hebben. Een woord dat overigens geen passende vertaling naar het Nederlands kent, want het standaard winkelcentrum valt totaal in het niet bij een dergelijk koopjesparadijs. Vorig weekend werden we door de Ikeda’s meegetroond naar Higashimatsuyama’s nieuwe trots: de Peony Walk, passend vernoemd naar de bloem van de stad. Eindelijk hoefde er niet meer naar een veel verder gelegen plek –Wakaba- gereden te worden voor een middag (kleding)winkelplezier.

Higashimatsuyama is wat mensen uit Tokyo platteland noemen, en wat boeren als stedelijk zouden omschrijven: de perfecte mix van leuke woonwijken van elkaar gescheiden door kleine en dus onmogelijk rendabele rijstveldjes. We hadden de huizen al enige tijd achter ons gelaten toen in de voorruit plots een enorm gebouw opdoemde. De al even uitgestrekte parkeerplaats gaf ons het gevoel bij een enorme bouwmarkt te zijn beland, maar niets was minder waar: toen we via de hoofdingang het complex betraden werden we aangenaam verrast met roze tegels in een oerdegelijk patroon, lantaarnpalen, bankjes en heel veel koopgrage Japanners.

Eerste stop: de dierenwinkel. Net toen ik me afvroeg waarom er zoveel vrouwen voor de etalage samendromden kwamen de redenen in beeld: kleine hondjes en katjes die niet alleen het publiek, maar ook elkaar redelijk saai leken te vinden. Uiteraard allen perfect, want –geheel op zijn Japans- net zo lang doorgefokt tot die bepaalde kat geen zwarte haar meer in zijn vacht had en de krullen van die hond precies zo krullerig waren als de bedoeling was. Dat kost moeite en veel tijd, wat zich vertaalde in de prijs van de diertjes: al moet ik toegeven nooit bewust onderzoek te hebben gedaan naar de prijs van een huisdier in Nederland schrok ik me wild bij het zien van een prijs van omgerekend 3000 euro. Aangezien de gemiddelde Japanner ook niet bij machte is een dergelijk bedrag in een keer op tafel te leggen is er een heel handige oplossing bedacht: in Japan betaal je je hond of kat gewoon in termijnen! En, hoewel, ik het niet passend vond te vragen wat te doen wanneer het nieuwe huisdier halverwege de termijn het loodje zou leggen, hebben de Japanners ook daar ongetwijfeld een oplossing voor bedacht.


Volgende halte: de Omu Omu! Dit restaurant is, te midden van vele andere, gelegen aan een plein met een enorm gedeeld terras dat (alhoewel volgens Lonneke niet uniek voor Japan) geruzie over welke tafels nu bij welke horecagelegenheid horen uitsluit. Nooit meer genegeerd worden door een ober omdat je per ongeluk een verkeerde stoel bij hebt geschoven dus! Na –ook al wisten we niet precies wat- besteld te hebben gingen we voorzien van een pieper zitten. Ook weer zo slim bedacht: het voorkomt gedoe bij de kassa en de doorstroom is bovendien veel beter. Nooit meer iemand die de kassa bezet houdt omdat hij of zij zijn of haar hamburger nog moet krijgen.

Toen het eten eenmaal arriveerde was de trek zo toegenomen dat ik op dat moment alles had kunnen eten. Kwam dat even goed uit, want de volgende combinatie deed Pim en mij toch wel even slikken: rijst met tomatensmaak onder een omelet, overgoten met een aan ossenstaartsoep gelijkende saus. En, alsof nog niet gek genoeg, kreeg men bij ieder bord ook nog een zak friet. Hoewel afzonderlijk goed te pruimen –tomatenrijst uitgezonderd- hebben de Japanners het combineren van eten niet of veel te goed onder knie, afhankelijk van hoe je het bekijkt.

In de daaropvolgende twee uur vervolgden we onze ontdekkingsreis langs allerhande kledingzaken –waaronder een met de interessante naam ‘Starvations’- en keken we met name onze ogen uit naar de vele dagjesmensen. Moeders met armen vol tassen, vaders met armen vol kinderen.


Een ander hoogtepunt vond plaats toen we onder het genot van een ijsje even zaten bij te komen op een bankje en uit een nabijgelegen visrestaurant een kok met een tonijnhandpop tussen de noren doorliep. Toen hij zich van ons afdraaide bleek het hier echter een (niet meer zo)levensecht exemplaar te betreffen, getuige het bloed dat langs zijn onderarm op de grond drupte. Vrolijk maakte de man een rondje langs alle toeschouwers, ondertussen met zijn andere hand de onderkaak van de vis bewegend en zo een pratende mond suggererend. Het team van medewerkers dat met een doekje het bloed achter hem opveegde deed vermoeden dat de klandizie op dat moment enigszins tegen moet zijn gevallen.

In de auto terug naar huis uitten we uitgebreid ons enthousiasme over wat we net gezien hadden, en legden we uit hoe ontzettend anders deze mall in vergelijking met de Nederlandse winkelcentra was. Jawel, Tomoko vond het ook leuk, en was blij dat ze niet meer zo ver hoefde voor kleren.

Een bioscoop was voor haar het enige wat nog ontbrak.

zondag 1 augustus 2010

'Football is just a game (but I like it!)'

Aldus luidde het spandoek van de -voor een eenvoudig treffen in competitieverband- in grote getale meegereisde supporters van voetbalclub Vegalta Sendai. Plaats van treffen: het Todoroki Athletics Stadium te Kawasaki in de prefectuur Kanagawa direct ten westen van Tokyo. Tegenstander: Kawasaki Frontale!

Volgens wikipedia koos men bij de club, oorspronkelijk Kawasaki Fujitsu (een grote electronicafabrikant) geheten, voor het achtervoegsel 'frontale' omdat dit "het Italiaanse woord voor vooraan/vooruit is en zowel een aanmoediging als een wens voor een aanvallende speelstijl impliceert". Wanneer je rondneust in de lijst van in de J-league (de Japanse eredivisie) uitkomende clubs kom je wel meer spannende clubnamen tegen. Neem alleen al de tegenstander: Vegalta is dan weer geen Italiaans, maar een samentrekking van de namen van de hemellichamen Vega en Altair, hoofdrolspelers in de -in de Japanse mythologie belangrijke- mythe over het Tanabata-feest op 7 juli. Bent u er nog?


Een voetbalwedstrijd bijwonen behoort wellicht niet direct tot wat het eerste in iemand opkomt wanneer deze Japan bezoekt, maar aangezien een van de leraressen op school voetbalfan in hart en nieren is -ze was bedroefder dan wij dat Spanje met de wereldbeker aan de haal ging, en al helemaal toen keeper van Frontale Eiji Kawashima naar België vertrok- kon ze een aantrekkelijke korting op toegangskaarten voor een wedstrijd regelen. Aldus geschiedde, en dus togen Pim, Thomas, Lonneke en ik naar Kawasaki. Na ons in de fanshop van de broodnodige merchandise te hebben voorzien, kwamen we aan bij het stadion. Dat we er zo vroeg waren bleek geen overbodige luxe, want voor de toegangspoorten was een waar volksfeest aan de gang. Mensen van zeer verschillende pluimage -arm en rijk, jong en oud- bereidden zich voor op de wedstrijd tegen Sendai, hetzij met wat te eten of te drinken, hetzij door zich vol te hangen met Frontale-spullen van de alomtegenwoordige kraampjes. Of door de drinkautomaat leeg te trekken daar deze 100 yen goedkoper was dan de flesjes in het stadion. Ook leuk was het kraampje waar Braziliaanse saté werd verkocht. Immers, Braziliaanse voetballers genieten grote populariteit onder de Japanse voetbalfans en zijn dan ook in grote getale in de J-league aanwezig.

Toen we het 25.000 stoeltjes tellende stadion rond 6 uur binnengingen was het reeds voor driekwart gevuld. Een vriendelijke medewerker stuurde ons het juiste (sta)vak in, recht achter een van de doelen. De gehele helft van het stadion links van ons werd bezet door Kawasaki-fans, recht tegenover ons bevond zich het uitvak van een slordige 25 meter breed en de rest van de rechterkant was eveneens een zee van zwart-lichtblauw, of zoals ze zelf zeggen -jawel- 'nero azzuro'. Het veld werd tot half zeven slechts bevolkt door de vier(!) mascottes van de thuisclub, waaronder een olijke dolfijn, een platgeslagen daikon (Japanse radijs) en wandelende emmer kipnuggets. Toen beide ploegen het veld betraden voor de warming-up ontplofte het stadion nagenoeg: langs de gehele lengte van de boarding stonden vaandelzwaaiers met enorme vlaggen te zwaaien, terwijl het publiek werd opgehitst door enthousiast op en neer stuiterende mannen met megafoons in hun handen. En iedereen deed mee. Ook hier blijkt het ritueel misschien nog wel belangrijker dan het spelletje.


Een minutieus verslag van de wedstrijd zal ik jullie besparen, maar opvallend bleef het enthousiasme van de supporters, óók toen de thuisploeg met 0-2 achterstond. Bij beide doelpunten viel een stilte van slechts 2, 3 seconden voordat de liederen weer uit volle borst werden hervat. Uiteindelijk werd er met 3-2 gewonnen -per doelpunt werd er harder gezongen en gejuicht- na een faire, kaartloze wedstrijd.

Kwart voor negen: einde van het ritueel. Beide ploegen verlaten tegelijk, na elkaar gefeliciteerd te hebben het veld. De supporters stromen rustig naar de uitgangen. Het aantal politieagenten dat actief bezig is dit in goede banen te leiden: nul. Gebroederlijk wandelen supporters van beide partijen naar het station. Ze bespreken de wedstrijd niet na, maar zoeken tenminste ook geen ruzie met elkaar. Het niveau mag dan door sommigen laag worden gevonden, duidelijk is wel dat Japanners de essentie van het spelletje hebben begrepen, zoals ook blijkt uit de slagzin van Kawasaki Frontale: 'Football Together!'

Forza Frontale!

Vuurwerk en de Japanners

In tegenstelling tot de Nederlandse gewoonte om met oud en nieuw het oude jaar naar de vergetelheid te knallen, vieren de Japanners oud en nieuw op veel kleinere en rustigere schaal en steken ze nauwelijks vuurwerk af. Waar het bij ons met oud en nieuw soms lijkt alsof de oorlog is uitgebroken, blijft het op 31 december en 1 januari over het algemeen stil in Japan. Echter, Japan kent wel degelijk een rijke vuurwerktraditie, hetgeen tot uitdrukking komt in de serie van zomervuurwerken die ieder jaar wordt georganiseerd. Guan, Bas, Tom en ik bezochten één der beroemdste 'Hanabi Taikai' (groot vuurwerk evenement), namelijk het vuurwerk aan de Sumida rivier in hartje Tokyo, om de pracht van het Japanse vuurwerk aan den lijve te ondervinden

Hoewel het vuurwerk slechts een half uur zou duren en verwachte regen misschien roet in het eten zou kunnen gooien, was vanaf Ueno al een enorme mensenmassa op de been. Dat je het vuurwerk niet zomaar even kan bekijken bleek wel uit het feit dat veel Japanse meisjes en sommige Japanse jongens zich in Yukata (zomerkimono) hadden gekleed. Aldus gingen we temidden van een stoet van piekfijn uitgedoste Japanners het metrostation van Ueno in om af te reizen naar Asakusa. Daar zou namelijk één van de beste uitzichten op het vuurwerk te verkrijgen zijn. Ondanks het enorme aantal Japanners dat dit mooie plan met ons deelde, verliep onze reis met de metro zeer ordelijk. De Japanners zijn internationaal vermaard om hun drang niets aan het toeval over te willen laten en een klein leger van in knalgele uniformen gestoken verkeersagenten dirigeerde ons vriendelijk doch beslist door de metro heen. Voorts hielp uitstekende bewegwijzering die men tijdelijk aan de muren van de metrostations had bevestigd om de drommen mensen gelijkmatig over het perron te verdelen. Het ellebogen dat menig Nederlands forens dagelijks mag doormaken als hij de trein neemt was in ieder geval in geen velden of wegen te bekennen.

Eenmaal boven de grond in Asakusa waren de richtingsadviezen helaas wat minder duidelijk. Ook had men ongelukkigerwijs het midden van de straat afgezet, zodat daar Japanse gezinnen op kleedjes konden plaatsnemen om het vuurwerk te kunnen aanschouwen. Het was wel alleraardigst om te zien hoe men hier netjes de kleedjes had gerangschikt om zoveel mogelijk anderen ook zitruimte te gunnen om het komende spektakel te kunnen meemaken. Het kwam ons voor dat dit één van de zeldzame gelegenheden is om met het hele gezin samen te kunnen zijn, en dat men dit genoegen met zoveel mogelijk andere gezinnen wilde delen. Hoe huiselijk het er ook uit zag, de stroom mensen aan weerskanten van de zittende Japanners begon toch enigszins uit balans te raken. Uiteraard zijn ook Japanners niet vrij van enig ongeduld als het tijdstip waarop het vuurwerk nadert aanvangt, en al snel begon een aantal dissidenten zich ietwat ruw een weg naar voren te banen. Toen één man tegen de stroom in probeerde te lopen, maakten we kennis met een Japanse politieagent, wiens geduld zojuist was opgeraakt. Het Japanse equivalent van 'loop verdomme niet tegen de richting in' en nog enkele Japanse onbeleefdheden ontschoten hem. Gelukkig waren we net op tijd het grootste knelpunt voorbij, waarna het vuurwerk een aanvang nam.

Een ruim half uur stond de hemel in lichterlaaie met het meest prachtige siervuurwerk. Ook hier kwam het Japanse gevoel voor esthetiek naar boven in de vorm van het zogenaamde Han-Warimono vuurwerk. Dit vuurwerk is een combinatie van de Warimono en de Pokamono. De Warimono is een pijl de in een gelijkmatige cirkel uiteenspat, waar de Pokamono bestaat uit een pijl die, eenmaal afgeschoten, een clusterbombardement aan kleinere pijltjes afschiet. Zoals op onderstaande foto te zien is, zagen we een wonderlijk samenspel van gouden Warimono die doorsneden werden door de clusterpijltjes van de Pokamono. Hoewel het voor de meeste aanwezigen vast niet de eerste keer was dat ze het vuurwerk meemaakten, steeg bij menig pyrotechnisch kunststukje een welgemeend applaus op onder de aanwezigen. Hoewel het vuurwerk af en toe onderbroken werd om de volgende lading klaar te maken, was er geen enkel moment sprake van ongeduld of ontevredenheid dat het al afgelopen zou zijn.



Aldus werden we overdonderd door een vuurwerk dat het gefragmenteerde oud en nieuw geknal in Nederland deed verbleken. We konden ons laven aan de Japanse voorkeur voor het genieten in de groep en het zich over kunnen geven aan een vaste hoedanigheid waarin men het vuurwerk kan meemaken. Ook al was er enige wrijving op de plaats van bestemming, over het algemeen vleiden gezinnen zich op de voor hen bestemde plaats, liet men elkaar de ruimte en vertrouwde men op de kunde van pyrotechnici die het publiek een harmonieuzer vuurwerk voorschotelden dan dat men ieder voor zich had kunnen bereiken.

vrijdag 30 juli 2010

Umeboshi / de Blauwe Diamant

Niet lang geleden werd er in Nijmegen geploeterd op de Vierdaagse van Nijmegen. Broeierige warmte, blaren, zouttekort, uitdroging, misselijkheid, het zijn voorwaar barre omstandigheden. Hadden zij maar de umeboshi gehad, de ingelegde en gedroogde Japanse pruimen. Wij denken dat Japanners niet zo zeer zo oud worden van een levenlang vis eten als wel van het dagelijks gebruik van de umeboshi in de keuken en onderweg.

De ume wordt ook wel liefkozend de blauwe diamant genoemd. Strikt genomen is het geen pruim maar een abrikoosvariant die haar weg 1300 jaar geleden van China, via –zoals zovaak- Korea naar Japan heeft gevonden. Ook toen al slaagden de Japanners er in om een reeds bestaand product te verrijken en te verbeteren: de Japanse ume is ronder en groter dan de Chinese variant en bevat nog meer voedingsstoffen, die de eretitel diamant onder het fruit rechtvaardigen.



Een prima snack dus, zeker met deze hitte die –helaas- met geen woorden te beschrijven is: je moet het ondergaan. Zij die Japan eerder in de zomer bezochten weten waar ik het over heb, en kennen ook de gelukzalige verlichting die een ume in dergelijke omstandigheden biedt. Verkrijgbaar bij elke Konbini (dus letterlijk op elke straathoek). Met name de gedroogde variant is populair, want makkelijk mee te nemen. Een opvallend detail is dat, in tegenstelling tot bijna alle andere producten in de Japanse geoliede consumptiemaatschappij de umeboshi geen enkele reclame behoeven - maar toch gretig aftrek vinden. De Japanner weet wat te doen om kwiek te blijven in de zomer.

Vanuit thuis is een verlanglijstje opgesteld met mee te brengen boodschappen en souvenirs uit Japan. Bovenaan staan steevast de roze zakjes umeboshi.

dinsdag 27 juli 2010

Japanse consumptiedrang

Gisteren, op een doordeweekse dinsdag, bezochten Tom, Bas en ik het Tokyo Metropolitan Office in Shinjuku. De machtige constructie is één van de hoogste in de buurt, en vanaf één der torens kan een uitstekend uitzicht verkregen worden over Tokyo. Na een korte inspectie van meegebrachte tassen (een pure formaliteit in een veilige stad als Tokyo), stappen we in de lift en zoeven met een nauwelijks voelbare noodgang naar boven. Echter, als we uitstappen, treffen we niet de verwachte verrekijker aan waarmee megalopolis Tokyo bezien kan worden. In plaats daarvan is de hele verdieping gevuld met een vreemde combinatie van souvenirwinkeltjes en een Italiaanse koffiebar. Het valt ons ook hier weer op dat de Japanners nauwelijks gelegenheden en plekken onbenut laten om producten, dan wel diensten aan te bieden. Daarom bij deze een blog over de consumptiedrang in Tokyo die men, geheel volgens de Japanse hang naar perfectionisme, tot grote hoogte weet te brengen.

De gemiddelde inwoner van Tokyo heeft een chronisch gebrek aan tijd. Of het nu overwerkende salarymen, fulltime huisvrouwen, of jeugd die zich na schooltijd nog eens verplicht laat bijspijkeren op cramschools betreft, de tijd waarin bedrijven hun potentiële klant kunnen bestoken met reclame is beperkt. De Japanners zouden de Japanners niet zijn, als ze niet allerlei manieren hebben uitgevonden om de argeloze consument alsnog te voorzien van de nodige impulsen die tot kopen aanzetten. Waar in Nederland vaak onder etenstijd gebeld wordt om allerhande producten te slijten, bestookt men in Japan de klant met mobiele reclame mail. Zo mochten wij vorig jaar, toen we een Japans mobieltje tot onze beschikking hadden, maar liefst vijf keer per dag gunstige aanbiedingen voor een nieuw huis of een andere baan ontvangen. Toen we aan onze gastmoeder vroegen of we het niet uit konden zetten, staarde ze ons verbaasd aan met de woorden: 'maar willen jullie dan niet weten waar Yakitori de volgende week 20 yen goedkoper is?!'.
De mobiele reclame is niet de enige commerciële functie van het technologisch wonder dat Japanse mobiele telefoon heet. Men propt elk denkbaar snufje in toestellen, waardoor er onder andere mee betaald kan worden. Even vreesden we dat een vrouw in de metro op het punt stond om haar telefoon kapot te slaan op de incheck-poortjes, maar gelukkig bleek ze de telefoon eventjes zacht op het betaalvlak te drukken. Met name de grootste Japanse mobiele provider, NTT Docomo, heeft een waar arsenaal aan diensten om het de consument zo gemakkelijk mogelijk te maken zijn Yen via de mobiele telefoon uit te geven. Zo is er de dienst I concierge, die een overzicht biedt van de winkels en restaurants in de buurt en de dienst Cmode, waarmee de gebruiker met zijn telefoon bij allerhande automaten kan betalen.

Japanse automaten, de zogenaamde Jidohanbaiki, zijn een waar fenomeen en verschillen op sommige punten van hun westerse tegenhanger. Zo bestaat er ten eerste de mogelijkheid om yen biljetten in het apparaat te schuiven, hetgeen ideaal is voor degenen die geen cash bij zich hebben. Voorts hebben de automaten die drinken bevatten de handige eigenschap dat ze in de zomer de inhoud koelen en in de winter de inhoud verwarmen. Qua uitwerpsnelheid laat de Jidohanbaiki buitenlandse automaten ver achter zich, met donderend geweld is het gekozen product al uitgeworpen terwijl de selectieknop nog maar nauwelijks losgelaten is. Verder is de Jidohanbaiki zo aangenaam omdat er behalve versies met drinken, ook nog varianten met sigaretten, stropdassen en zelfs onderbroeken zijn. Ook is in een stad als Tokyo ongeveer iedere tien meter een ander kluitje Jidohanbaiki te vinden. Het maakte dat Tom en ik vorig jaar, in navolging van de Japanners, iedere dag wel drie flesjes frisdrank uit de automaat trokken. Hoewel we onze flesjes dit keer grotendeels met water navullen, blijft de jidohanbaiki en haar gemakken lonken.

Wat ook een onweerstaanbare verleiding biedt aan de Japanse consument, is de televisie. Waar in Nederland allerhande regels bestaan die sluikreclame trachten te weren, lijkt het alsof de Japanners juist zoveel mogelijk producten aanprijzen in hun tv-shows. Onlangs mochten we getuige zijn van de Japanse introductie van de nieuwe iPhone. Omdat het apparaatje gefabriceerd wordt door een Amerikaanse (buitenlandse!) fabrikant was er wellicht enige huiver bij de marketingbureaus dat Apple's nieuwste telg niet aan zou slaan bij het Japanse publiek. De oplossing bleek echter simpel. Allereerst zond Nihon Television een communicatiespecial uit, waarin het gebruik van smartphones in Japan werd onderzocht. Uiteraard was het gebruikte voorbeeld van een smartphone de iPhone 4, en natuurlijk waren alle Japanners die het apparaat gebruikten uitermate tevreden over de manier waarop dit hun levens verrijkte. Hoewel een dergelijk mechanisme ook wel in Nederland voorkomt, is het in Japan van een ongekende omvang en wordt een product letterlijk in alle beschikbare media aangeprezen. Zo worden treinen volgeplakt met iPhone 4 stickers, halen beroemdheden die zich in elke Japanse talkshow laten zien het apparaatje uit hun zak om de voordelen die het hun op levert op te sommen en spotten wij in menig elektronicazaak speciaal ingerichte stands voor de felbegeerde telefoon.

Het verbaast ons nu allerminst dat het aantal iPhones in de Yamanote trein iedere ochtend exponentieel toeneemt. Of het nu zaakjes vol met toeristische snuisterijen, aanbiedingen voor Yakitori of campagnes zijn om een nieuw apparaat aan te prijzen, het lijkt in Japan allemaal net even wat aantrekkelijker te zijn dan in het buitenland.

donderdag 22 juli 2010

Zoals een Inuit duizend woorden voor even zovele soorten sneeuw heeft ..

.. heeft men in Japan duizend verschillende woorden voor even zovele soorten soja-saus. Waar men in Nederland alleen ketjap manis kent, als een zoetige smaakversterker voor Indonesische gerechten, hanteert men in Japan veel meer varianten van de saus op basis van soja. Toegegeven, Nederlanders zijn verzot op ketjap, schrijven het zelfs in hedendaags Bahasa wel als kecap, en nemen het op vakantie naar den vreemde mee, net als de aardappels, hagelslag en drop. Toegegeven, de meer avontuurlijke Nederlander kent inmiddels ook wel de elegante zwarte flesjes met dubbele rode schenkdop van het merk Kikkoman zoals deze bij de meer authentieke Chinese en Japanse restaurants naast het peper- en zoutstelletje op de tafelhoek staan. Maar er blijken zoveel meer nuances in sojasmaak voorhanden. Hieronder een kleine greep uit het assortiment zoals we dat in de Japanse supermarkt aantreffen. Wees echter gewaarschuwd: we gaan de diepte in.



Wat is sojasaus eigenlijk? De basisingrediënten zijn –uiteraard- de sojaboon, geroosterd graan, water en zeezout. Hoewel uiterst populair in de Aziatische keuken wordt hij in het Westen slechts mondjesmaat toegepast: worcestersaus en maggi zijn de enige soorten saus die enigszins in de buurt komen. De echte saus wordt namelijk ook nog eens gefermenteerd en gemengd met wat alcohol. Dat soya in Azië zo wijdverspreid gebruikt wordt betekent tegelijkertijd ook dat hij in de loop der eeuwen aan de plaatselijke smaak is aangepast. Probeer dus niet een Chinees gerecht op smaak te brengen met Kikkoman: het resultaat zal wellicht smakelijk, maar niet zoals verwacht zijn.

Ook binnen Japan zijn er verschillende soorten saus. De traditionele vete tussen Kanto (Tokyo) en Kansai (Osaka en Kyoto) gaat niet alleen over standaarddialect en televisieprogramma’s, maar ook voedsel. Dus is het gepast dat beide regio’s een eigen saus hebben. In het geval van de Kanto is dit de zogenaamde Koikuchi saus, die –helaas, Osaka’ers- als standaard Japans wordt beschouwd. De Kansai-variant Usukuchi is, in tegenstelling tot de bijna zwarte Koikuchi, wat lichter van kleur en smaak. Sowieso lijkt men in Osaka niet zo dol op sterke smaken daar de Shiro-variant ook haar oorsprong in deze regio kent. Hierbij is de graan/soya verhouding nogal in het voordeel van de eerste uitgeslagen. Haar tegenhanger is Tamari, afkomstig uit het midden van hoofdeiland Honshu, die wordt gekenmerkt door haar lage graangehalte. Ten slotte is er nog de Keizerlijke Variant: Saishikomi wordt, in tegenstelling tot de andere soorten, niet in zout water gebrouwen maar in soya zelf, wat hem veel zoeter dan de rest maakt. En uiteraard -marketingexperts als ze zijn- hebben de Japanners allerhande labels voor de verscheidene sauzen bedacht. Naar mate van graad van fermentatie liggen de flesjes in de supermarkt gerangschikt. Dat zegt de gemiddelde westerse fijnproever bij een eerste bezoek natuurlijk niets, en daarom bij deze mijn top drie van niet te missen soorten:

1. Niniku
Met stip op één: niniku! Sinds de eerste kennismaking in 2006 staat deze bij iedere tafelgrill, gourmet of barbecue te huize Omes gebroederlijk tussen de whisky-cocktail en gembersaus. Het bevat namelijk het wonderingrediënt: knoflook! Die hebben we ook al jarenlang van Remia en Calvé, zult u zeggen, maar deze variant, namelijk in combinatie met soya, blijkt oh zo veel subtieler en beter gedoseerd. In het geval van een tandartsbezoek de volgende ochtend wordt gebruik helaas nog steeds afgeraden.

2. Sobatsuyu
De sobatsuyu vormt een goede tweede. Omgekeerd evenredig aan het oplopen van het kwik neemt de Japanse behoefte aan warme maaltijden ’s zomers af. Jazeker, noedels eet men hier in de maanden juni, juli en augustus gewoon koud. Niet zelden hebben wij een schaal voorbij zien komen waarin soba – boekweitnoedels - en ijsblokjes gebroederlijk naast elkaar liggen. Daarbij hoort uiteraard ook een speciale saus of tsuyu, samengesteld uit een aardige hoeveelheid dashi (een Japanse bouillon), zoete soyasaus en mirin (zoete rijstwijn vor het kokkerellen). Deze saus geniet zulk een populariteit dat deze, als de soba eenmaal opgeslurpt zijn, met het water waarin de noedels gekookt zijn opgedronken wordt.

3. Ponzu
Nummer drie, maar zeker niet de minste, is de niet te versmaden variant ponzu, samengesteld uit mirin, rijstazijn, bonitovlokken (vis, familie van de makreel) en kombu (zeewier). Dit mengsel wordt, na te zijn afgekoeld, op smaak gebracht met een of meer van de volgende Japanse citrusvruchten: yuzu, sudachi, daidai of kabosu. Wie het zelf wil proberen: citroen en/of limoen volstaan ook. In beginsel is ponzu dus een lichtgele, waterige saus, maar omdat het voor gebruik meestal wordt vermengd met sojasaus heeft ook dat mengsel de naam ponzu of ponzu saus.

In het begin is het misschien even wennen, maar uiteindelijk een waardevolle uitbreiding op het Westerse smakenpalet. En ook al schenk je het zelf niet over je eten heen, alles wat je geserveerd krijgt is op de een of andere manier al in aanraking geweest met het donkerbruine goud. Na een week ben je vergeten hoe eten zonder smaakte!

woensdag 21 juli 2010

DiCaprio? Watanabe!

Elke zomer kent haar zogenaamde blockbusters - films waarvan op voorhand al zeker is dat ze de kassa’s gaan laten rinkelen, ongeacht de uiteindelijke kwaliteit. Echter, enkel de allergrootste films kennen een wereldwijde release: Japanners krijgen sommige Westerse producties pas een half jaar later te zien. Zo niet ‘Inception’.

Met akelig weinig bekend over het verhaal en amper vrijgegeven beelden zijn de verwachtingen wereldwijd torenhoog gespannen. Zo ook in Tokyo, want draai één maal om je as –waar je ook staat- of er hangt wel ergens een affiche van de film. Hetzij een doek van 10 meter vanaf de bovenste verdieping van een kantoorpand, of een poster van normale afmetingen in een metrostation. De film staat dan ook bij erg veel Japanners op de radar –er is immers geen ontsnappen aan- maar misschien om andere redenen dan de onze.

De film wordt hier net als in Europa en Amerika in de markt gezet als ‘van de regisseur van The Dark Knight’, maar ga er maar niet van uit dat er één Japanner is die de naam Christopher Nolan kent. En daar houdt de vergelijking ook wel op, want ook al is de hoofdrol weggelegd voor Leonardo DiCaprio, geen Japanner die dat heel interessant vindt. En wel om de volgende reden: Ken Watanabe, een van de drie Japanners die het wist te maken in Hollywood. Tevens de enige die interessant blijft voor het Westerse publiek, want Mr. Miyagi was vooral een one hit wonder en Mr. Sulu is al jarenlang behoorlijk uitgerangeerd. Watanabe blijft ons echter aanspreken: ook al staat hij – zijn hoofdrol in Letters From Iwo Jima uitgezonderd – eigenlijk nooit echt in de spotlights, als ongekroond koning van de bijrollen is het een acteur die niet verveelt. En daar zijn de Japanners ongelooflijk trots op.

   

Op het moment van schrijven heb ik ‘Inception’ nog niet kunnen bekijken, maar ik hoop dat Watanabe meer tekst gaat krijgen dan die drie zinnen in zijn vorige samenwerking met Nolan, ‘Batman Begins’. Hij heeft de harten van het Japanse publiek sowieso al voorgoed weten te stelen: zulks bleek ook vanochtend toen bij Goedemorgen Japan DiCaprio twee zinnen mocht zeggen (over zijn Japanse medespeler nota bene) en Watanabe een heus diepte interview onderging. Ja, het was fijn samenwerken met DiCaprio. Ja, hij vond het een spannende onderneming, die film. Ja, hij bewonderde het werk van Nolan enorm.

Al was het over zijn broodbeleg van die ochtend gegaan, Watanabe Ken verveelt het Japanse publiek nooit.

maandag 19 juli 2010

Karigurashi no Arrietty: hoe Ghibli haar vorm weer hervond

Waar de laatste tijd enige twijfels waren gerezen over producties als Gedo Senki (Tales from Earthsea) en Gake no ue no Ponyo (Ponyo on the Cliff) heeft Ghibli zich naar mijn mening ten volle weten te revancheren met de nieuwe film. Ik mocht hem gisteren genieten. En zelfs dubbel genieten, want ik zat tussen mijn beide vriendinnen Eri en Tomoko in. Dat had overigens voor hen een praktische reden: mij werd de taak opgedragen om de popcorn vast te houden en eerlijk te distribueren.

Als een nieuwe Ghibli in première gaat, is dit in Japan vaak aanleiding voor lange rijen bij de bioscoop en box office records die in het geval van Spirited Away zelfs de cijfers van Titanic voorbijstreefden. Echter, toen Tomoko, Eri en ik in onze stoel zaten, bleek de helft van de zaal leeg te zijn. Daags na de première zou het toch drukker moeten zijn, maar dit zou gelukkig geen voorbode voor de kwaliteit van de film blijken.

Karigurashi no Arrietty is losjes gebaseerd op het boek The Borrowers van de Engelse schrijfster Mary Norton. De plot handelt over een gezin van mensjes ter grootte van een lilliputter, de Clocks. Vader Pod, moeder Homily en dochter Arrietty wonen onder een grote mensenhuis en ondernemen nachtelijke expedities om spullen als suiker, spelden en knijpers te lenen waarmee zij hun huishouden comfortabeler kunnen maken. Als 14-jarig zelfbewust meisje belichaamt Arrietty de typische Ghibli protagonist, die nog op zoek is naar haar plaats in de wereld. Op een nacht maakt Arrietty samen met vader Pod haar eerste nachtelijke expeditie, maar ze laat in haar onbesuisdheid een klontje suiker vallen. De volgende dag wordt het klontje tot haar ontzetting terugbezorgd door de jongen Shō, een van de mensen die het huis waaronder de Clocks leven bewoont. Shō is een ziekelijke jongen die wegens zijn hartproblemen in bed moet blijven, en al snel begint hij ter afleiding van zijn ziekte de kleine mensjes onder de vloer spullen uit zijn geërfde, kostbare poppenhuis te geven. Hoewel moeder Clock meteen wil verhuizen als ze erachter komt dat Arrietty door een mensenjongen is ontdekt,geeft vader Pod haar het voordeel van de twijfel. Echter, de gouvernante die op Shō moet passen, gooit roet in het eten. Ze ontdekt het bestaan van de kleine mensjes en al snel volgt een klopjacht waarbij zelfs de ongedierte bestrijding wordt ingezet om de Clocks uit te roeien...

Nu is dit gegeven in boekvorm al eens benoemd tot één van de belangrijkste kinderboeken van de twintigste eeuw, maar Ghibli weet het op onnavolgbare wijze weer in tekenfilm vorm te gieten. Alhoewel Ghibli oprichter Miyazaki Hayao de film ditmaal niet zelf regisseert, is zijn hand duidelijk zichtbaar. Regisseur Yonebashi Hiromasa neemt onder andere diens voorkeur voor prachtig geaquarelleerde achtergronden over. Ook neemt Yonebashi alle tijd om plaatsen van handeling als de keuken en de kamer van Shō weer te geven in al haar details. Met name de scene waarin vader Pod en dochter Arrietty de keuken overzien blinkt uit. Eerst wordt minuten lang de ogenschijnlijk zo gewone keuken vanuit het perspectief van de kleine mensen in beeld gebracht. Een tikkende geiser en een brommende koelkast verworden zo van onschuldige keukenapparatuur tot vreeswekkende machinerieën. Als Pod vervolgens voorzichtig afdaalt in de keuken, blijken ook huis, tuin en keuken artikelen als plakband en garen opeens van onschatbare waarde te zijn. Door de plakband onder zijn scboenen te fixeren kan Pod de tafel beklimmen en met behulp van het garen hijst hij zijn dochter Arrietty omhoog.

Niet alleen op het gebied van tekenwerk is de film weer een terugkeer naar Japans perfectionisme op de vierkante millimeter. Ook de op het eerste gezicht wat simpele plot weet te overtuigen. We zijn getuigen van Arrietty die tussen de belangen van haar gezin moet kiezen, en haar verlangen om de aardige jongen die het suikerklontje terugbracht nog eens te ontmoeten. Wanneer de Clocks in de problemen komen door Arrietty, toont ze naar goede traditie haar sterke, onafhankelijke karakter en weet ze haar gezin te redden door samen met Shō tegen de gouvernante ten strijde te trekken. Shō weert zich ondanks zijn ziekte eveneens erg kranig, waardoor de film ondanks de bescheiden ontwikkelingen appelleert aan de nog altijd sterke bewondering in Japan voor diegenen die zich ondanks beperkingen naar beste kunnen blijven inzetten.

Ghibli fans die zich na het aardig getekende, maar van een mager verhaal voorziene Gedo Senki, en het voornamelijk op kinderen gerichte Gake no ue no Ponyo ietwat in de steek gelaten voelden door Miyazaki, kunnen weer opgelucht ademhalen. Tekenstijl en verhaal zijn dik in orde, en ook de sfeervolle Bretonse muziek droeg er aan bij dat ik een kleine twee uur ademloos de wereld vanuit een miniatuur perspectief mocht aanschouwen. Yonebashi toont zich in ieder geval een waardige kandidaat om Miyazaki Hayao, van wie men fluistert dat hij de studio met zijn 69 jaar bijna gaat verlaten, op te volgen.

zaterdag 17 juli 2010

Waarom kan het hier wel? Nummer twee van veel / Ekoda daily life

Wat moet het heerlijk zijn permanent in Japan te leven. Al die kleine doch oh-zo-slimme vindingen waar ik laatst al over schreef zijn dan niet langer bijzonder, maar alledaags. Hieronder weer enkele dingen die ongelooflijk voor de hand liggen maar waar weer een Japanner aan te pas moest komen om het idee in de praktijk te brengen.

Boodschappen doen is in Japan niet alleen een feest voor de klant vanwege de vele welkomst-, bedankt- en afscheidskreten die je tegemoet schallen zo gauw je één voet binnen of buiten zet, maar ook een feest voor het afrekenend personeel. Wanneer de klant bij een bedrag van -pak ‘m beet- 750 yen betaalt met 1000 yen ziet een scannertje in de kassa dat het een 1000 yen biljet betreft. Vervolgens spuwt de kassa in een bakje met een breedte van vier vingers het wisselgeld uit, dat de caissière met een greep kan pakken en aan de klant kan geven. Voor biljetten hetzelfde idee. Zichtbaar in haar nopjes door mijn verbaasde uitdrukking telde de caissière het geld nogmaals voor me na –alsof zo’n computer ooit een fout heeft gemaakt of zal gaan maken- waarbij ze de biljetten door haar vingers liet schieten als ware ze iemand aan de uitbetaalbalie om de hoek bij een pachinko-hal.

Enigszins verbluft en geërgerd door de –zo bleek nu- onnodige pijnen en moeite die ik had moeten doorstaan in mijn eigen eerste weken achter de kassa bij de supermarkt thuis, kwam ik aan bij mijn kamer, waar op dat moment drie elektriciens en twee televisiemonteurs bezig waren alle kamers op mijn gang van nieuwe televisies te voorzien. Lang leve Japan en het creëren van werkgelegenheid. Lang leve Japan en de snelheid en efficiency van handelen ook. In het studentencomplex in Leiden duren dit soort onderhoudsfeestelijkheden niet alleen langer, men komt niet op de afgesproken tijden en je krijgt bij het volgen van de verrichtingen altijd het idee dat er geluk aan te pas moet komen voor het welslagen van de onderneming.

Toen ik vijf minuten binnen was werd er aangeklopt en beleefd aangekondigd wat de mannen kwamen doen. Binnen 20 seconden was de oude beeldbuis weg en het licht ging uit. Ëén van hen trok zijn boormachine, richtte hem op de wandcontactdoos en schakelde het ingebouwde spotlichtje vlak onder de boorkop aan! Whiiiieeeeeeew. Klaar! Vanwege mijn in de afgelopen tijd beperkt gebleven bezoeken aan bouwmarkten, weet ik niet of zulks prachtigs - een boormachine met hulpverlichting - ook in Nederland verkrijgbaar is, maar zeker is wel dat ik elke vierkante meter van de muur van haakjes voor schilderijen zou gaan voorzien.

In het pikkedonker, uiteraard.

"Don't menzion ze war!"

"Don't menzion ze war!" is een fameuze uitspraak van John Cleese in de Britse klassieker Fawlty Towers, wanneer hij als uitbater van het gelijknamige hotel plots een aantal Duitse gasten dient te herbergen. Echt subtiel is hij ook in deze aflevering niet en hij slaagt er in om het zichzelf en zijn gasten behoorlijk ongemakkelijk te maken.

Na een eerste week op school stond op vrijdagavond een bezoek aan de Yasukuni-schrijn op het programma. Samen met Bas, Lonneke, Linda, Thomas en Pim schuifelden we het langwerpige, volgepakte plein in de richting van de schrijn over. Andere gaijin waren in geen velden of wegen te bekennen, iets wat wellicht te maken heeft met de bestaansreden van de schrijn: de Yasukuni-schrijn is –voor wie dat niet weet- opgericht vlak na de Meiji-restauratie van 1868 en gewijd aan hen die hun leven gaven voor het mogelijk maken van deze hervorming en modernisering van Japan en bovendien aan hen die hun leven zouden geven in de oorlogen die vanaf dat moment zouden volgen. Wie bekend is met de daaropvolgende tachtig jaar in de geschiedenis van Japan weet dat dit nogal wat mensen zouden zijn.

Het controversiële van deze schrijn schuilt in het feit dat elke soldaat, ongeacht zijn daden, hier wordt vereerd: oorlogsmisdadigers incluis. Daar houdt het echter niet bij op: letterlijk naast het hoofdgebouw bevindt zich het Japanse oorlogsmuseum. Er worden hier geen onwaarheden verkondigd, maar het Japanse lijden wordt uitvergroot en over gevallenen aan de andere zijde wordt niet gesproken.

Ook de te verkrijgen producten in de museumwinkel deden ons even doen slikken: wat te denken van de vlag van de Japanse keizerlijke marine? Inderdaad, die met de zonnestralen. Of een t-shirt met daarop dezelfde vlag en het silhouet van de Yamato, het grootste slagschip ooit gebouwd, vernietigd tijdens de Slag om Okinawa. Asbakken, onderzetters aanstekers met hetzelfde tafereel. En voor de echte liefhebber: cd’s vol met marsmuziek gebruikt om het moreel van de soldaten op te krikken ten tijde van de Oorlog in de Stille Oceaan. Het schouwspel was compleet bij het zien van een in nagenoeg perfecte staat verkerende Zero-jager, een gevreesd vliegtuig van fabrikant Mitsubishi. ‘Veel groter dan ik had gedacht’, merkte Bas terecht op.
Veel groter dan ik had gedacht, betreft niet alleen de afmetingen van de jager, maar met name ook de impact van de oorlog als geheel voor alle landen rond de Pacific. Wij weten daar wel wat van, met een ons zeer dierbare opa uit Java.

Waar Japan in alles op zoek is naar balans, naar evenwicht, heeft het hier een dode hoek in de spiegel. Voorouderverering hoort bij de traditie, ook deze schrijn is een groot goed. Maar naast het oorlogsmuseum zou ook een Sumimasen- of Gomen nasai-museum mogen staan, waarin excuus wordt betuigd over begane onvergeeflijkheden tijdens oorlogen. John Cleese slaagt er heel wat beter in om middels (zelf-)spot de angel er uit te halen.

In Japan wordt echter over moeilijke zaken nu eenmaal niet gesproken. Zelfs 65 jaar na dato niet.