woensdag 30 maart 2011

Tadaima! Thuiskomen

Waarde lezer, het is zover: ik ben weer in Japan! Ik zit heerlijk in de lentezon te bloggen, die door het open raam van mijn kamer naar binnen schijnt. De lucht is strakblauw, geroezemoes van werklui drijft voorbij, er is kortom niets dat aan de reis van gisteren doet herinneren. Om jullie (en mezelf) er aan te herinneren dat ik toch echt binnen 24 uur van Wijchen naar Tokyo ben verhuisd, volgen hieronder een beknopt reisverslag, alsmede de eerste indrukken van mijn hernieuwde kennismaking met Tokyo.

Op Maandagochtend gaat de wekker al om zeven uur. Geholpen door de wetenschap dat vandaag de grote reis gaat plaatsvinden, sta ik in een oogwenk naast mijn bed. Met behulp van papa, mama, Tom en Joep wordt de laatste hand gelegd aan de bagage en de voorbereidingen voor de rit naar Schiphol. Negen uur kan er weggereden worden, en na opa Jan opgehaald te hebben verloopt de reis naar Schiphol voorspoedig en zonder files. Aldaar wacht Jurre al, om me nog een laatste groet uit het Leidse te brengen. In de vertrekhal drinken we een goede kop koffie of thee en verorber ik met enige weemoed het laatste broodje filet Americain dat mij dit jaar ten deel zal vallen. Omdat alles deze ochtend volgens plan verloopt, realiseer ik me nauwelijks dat ik over niet al te lange tijd aan de andere kant van de wereld zit, en een jaar uit de vertrouwde omgeving weg zal zijn. Dit besef begint echter nu het vertrek nog maar enkele uren verwijderd is eindelijk door te dringen. Aan de ene kant ben ik dolblij dat ik naar het land van mijn dromen mag, aan de andere kant zal ik mijn gezin ontzettend missen. Echter, het moment om afscheid te nemen is plots daar. De tranen vloeien even, maar in de wetenschap dat dit een cruciaal jaar gaat worden herneemt iedereen zich. Dan spoed ik me de gate door en begint het grote avontuur.



Het vliegtuig dat me naar Tokyo zal brengen blijkt verrassend genoeg bijna vol te zitten. Later blijkt echter dat vooral Japanners terugvliegen naar hun vaderland en dat het aantal buitenlanders aan boord op één hand te tellen is. De sfeer aan boord is ontspannen en een aantal niet onverdienstelijke vliegtuigmaaltijden, koppen koffie en borrels later landen we te Narita. Op deze luchthaven blijken de aangekomen passagiers nog steeds door een merkwaardig doolhof van bijkans uitgestorven hallen te moeten lopen, alvorens de bagage kan worden opgehaald. Bij de bagageband snuffelt een herdershond aan mijn benen, volgens de omroepstem om "illicit drugs" uit Japan te weren. Op deze vertederende beveiligingsmaatregel na valt er niets noemenswaardigs voor en na een uur sta ik op het perron onder de aankomsthal te wachten op mijn trein richting Tokyo. Mijn aanvankelijke vrees voor niet volgens schema rijdende treinen blijkt ongegrond en via Nippori, Ikebukuro en de metro naar Nishi Waseda bereik ik mijn bestemming. In Nishi Waseda speelt mijn chronisch onvermogen om kaart te kunnen lezen weer op, maar een alleraardigste vrouw brengt me naar de dormitory die komend jaar mijn thuis gaat vormen. Nog enigszins verbluft door het feit dat ze meeliep en ook nog mijn koffer droeg, valt mijn oog op het briefje bij de ingang waar mijn naam op prijkt. Mevrouw Nakamura, de kanrinin (een soort conciërge), is aardig maar doeltreffend en weet in twee minuten (!) een rondleiding door het hele complex te verzorgen. Na die twee minuten verdwijnt mevrouw Nakamura op geheimzinnige wijze en kan ik me installeren op mijn kamer.



De kamer is eigenlijk voor twee personen bedoeld, maar er is mij gelukkig verzekerd dat ik de enige bewoner zal zijn. Het principe van bad, wastafel en toilet in één is helaas niet toegepast, maar de combi toilet en wastafel gaat zeker in de ochtend de nodige tijdswinst opleveren. Voorts beschik ik over twee bureaus (wellicht eens nadenken over een Japanse secretaresse?) bedden en boekenkasten, alsmede een zeer ruim bemeten kledingkast. Het doemscenario van een hokje van drie bij drie meter zonder ramen is welzeker volledig afgewend! Ook de rest van de dorm stemt tot tevredenheid, er is een ontspankamer met televisie, een douche met een goed harde straal en vrij gebruik van de rijstkokers. Enige punt van aandacht is een briefje in de keuken waar op staat dat ik me moet hoeden voor figuren die plakjes ham uit de koelkast stelen.

De kamer is in een oogwenk ingericht en na de eerste berichten aan het thuisfront gestuurd te hebben, de eerste konbini te zijn binnengestapt en een kort middagslaapje gedaan te hebben, is het tijd voor Katsudon. Dit heerlijke gerecht bestaat uit gepaneerde varkensschnitzel, samen met een laag ui en omelet gedrapeerd over de rijst. Tussen vermoeid ogende salarymen hengel ik tevreden deze traktatie naar binnen, die zoals het Japanners betaamt exact hetzelfde smaakt als een half jaar geleden. Het kordate 'irasshaimase' (komt u binnen) en de uitroepen van het personeel dat aangeeft dat ze de orders in de keuken ook begrijpen verhogen de vreugde. Hoewel ik eet tussen volslagen onbekenden en duidelijk een buitenlander ben, voelt het alsof je een bevoorrechte bezoeker van een goed restaurant bent. De sfeer in de Katsuya, de welwillendheid van de mensen op straat, in de dormitory en het vermogen om elkaar in een druk station als Ikebukuro niet ondersteboven te lopen laten dan eindelijk het gevoel dat ik weer in Japan ben ontluiken! Hoewel er nog weinig bekend is over het taalprogramma dat ik zal volgen, staat het wel vast dat dit een geweldig jaar gaat worden!

woensdag 23 maart 2011

Volg je hart!

Mijn hart is er al. De rest volgt komende maandag. Gaan of niet gaan, dat was de vraag gedurende de afgelopen dagen volgende op de aardbeving, de tsunami en de perikelen rond de kernreactoren. Oorspronkelijk was de reis op maandag 21 maart gepland, het wordt nu dus 28 maart.

Mijn schildklier is volledig ontwikkeld, melk en spinazie waren al geen favorieten, mijn dormitory bevindt zich ofwel op de begane grond of op één hoog. 32 verdiepingen traplopen wanneer de lift zonder stroom gezet moet worden is er niet bij. Mijn hart doet echter zeer. Ofschoon al mijn Japanse vrienden en kennissen me verzekeren dat ze fysiek ongedeerd zijn, wil ik ze toch graag zien en waar mogelijk helpen. Takuo-san werkt in Sendai en leidt het watermanangement van de aanleg van een metrosysteem. Er valt niets meer te managen. De modderstroom kwam tot stilstand op drie kilometer van zijn appartement, dankij een dijklichaam van een verhoogde snelweg. Van die dingen dus. Daar wil ik het graag met hem over hebben.

zaterdag 5 maart 2011

Wonen bij Waseda

Ik ga weer! Dit maal zonder Tom. En zelfs - verdikkeme - een jaar zonder Tom. En de rest van de familie, moederziel alleen. Waseda University heeft me als uitwisselingsstudent geaccepteerd, zodat ik gedurende een jaar de allerfijnste kneepjes van de japanse taal en cultuur tot mij kan nemen.

Waseda Daigaku (zie ook: Wikipedia) is een van de meest prestigieuze universiteiten in Shinjuku, Tokyo en beschikt over een belangrijke collectie literatuur en naslagwerken van Japanse schrijvers uit de Taishō periode (1912-1926). Mijn master-onderzoek zal zich concentreren op de manier waarop de Japanse literaire wereld omging met de invloed van het Westen. Een vergelijk tussen de schrijvers Kawabata Yasunari en Tanizaki Junichiro en hun omgang met het verlies van traditionele Japanse cultuur, zal de hoofdmoot gaan vormen. Ik mag een jaar in de archieven van Waseda neuzen en verheug me op mijn eigen Taishō jidai: "period of great righteousness". Na drie jaar bikkelen op de theorie in Leiden komt het mij rechtvaardig voor om een praktijkjaar in Japan door te brengen.

Eind maart vertrek ik richting Shinjuku. De slaapgelegenheid is al geregeld, ik beschik over een eigen room in een dormitory op vijf minuten loopafstand van de campus. Kijkt u even mee?


Pim in Tokyo weergeven op een grotere kaart

Als de Japanse schriftaanduidingen op de kaart u wellicht niet zo aanspreken, kunt u met Street View gerust even rondkijken bij mij op de stoep.

Street View

maandag 28 februari 2011

Workshop Taiko

Diehards, zo voelden we ons toen we op de waterkoude ochtend van maandag 28 februari om klokslag negen uur stonden te rillen voor de deur van Het Muziekhuis in Leiden. En ook al was het binnen minstens net zo fris: toen we eenmaal aan de slag gingen waren we binnen de kortste keren warm. Want vergis je niet: dit is topsport.
Hoewel ik niet voor iedereen kan spreken denk ik niet dat ik de enige ben die zich voelt alsof hij er een behoorlijke fitness sessie op heeft zitten.


Even kort, voor wie niet bij de inleidende lezing van dr. Länsisalmi was: taiko is een van die vele Japanse cultuuruitingen die in de jaren ‘50 van de vorige eeuw tot stand kwam. Wat niet wil zeggen dat er voor die tijd nooit werd getrommeld – integendeel – maar het was wel pas toen dat deze ‘invented tradition’ tot een podiumkunst werd verheven.

De taiko kent een veel dominantere plek in de muziek uit Japan dan ‘gewoon’ slagwerk in de Westerse muziek heeft: alles draait om het ritmische gedreun op de gigantische houten ci-linders: shakuhachi, shamisen en koto (respectievelijk Japanse fluit, gitaar en citer) worden zelden in combinatie met het instrument gebruikt en dienen in deze tak van sport louter voor de intermezzo’s.



Het praktische deel van het tweeluik werd verzorgd door John May, Afrikaans en Japans trommelexpert die meerdere malen naar de bakermat van taiko, in Japan, afreisde. Omdat het iets is wat je echt moet doen om te zien hoe inspannend het is zal ik jullie niet vervelen met technische details. Want naast dat jullie het toch niet thuis zullen kunnen proberen – je wilt de buren te vriend houden – doen deze er op papier niet toe: je moet het echt zelf doen. Door het lage aantal cursisten tijdens de eerste ronde kregen we de kans om de trommels horizontaal te bespelen. Iets wat gek genoeg niet tegennatuurlijk voelde, maar omdat je voortdurend met je benen een behoorlijke strekking moet maken, een tamelijk afmattende variant. De tweede ronde was beter gevuld, waardoor de trommels weer verticaal werden geplaatst.

Toen ik na tweeënhalf uur trommelen weer op de stoep stond had ik – naast armen als een gorilla – een zeer voldaan gevoel. Misschien dat de opleiding dit onmisbaar stukje cultuur op enige wijze in het programma kan verwerken? Binnenkort maar eens een mailtje naar de Opleidingscommissie sturen.

dinsdag 28 december 2010

Ghibli-kerstmis met piece-service

Met kerstmis trekken we ons knus in de eigen uchi terug. Gepuzzled wordt er bij de mannen van Omes, ge-LEG-puzzeld, een ieder om tafel over elkaar heen buigend, voor elkaar langs stukjes grijpend als waren we tevens Twister aan het spelen. Gezamenlijk bouwen we de puzzel, eerst uiteraard de rand en daarna rommelen we naar believen verder.

Elk familielid neemt een eigen deelprojectje voor de rekening dat vervolgens wordt ingepast en aan de rand aangesloten. Wie een stukje voor een ander tegenkomt schroomt niet dit belangeloos en liefdevol aan te reiken of triomfantelijk in te passen. (nenenenenenehhh)

De puzzels waren tomeloos, we hebben een forse ervaring opgebouwd. Een onzer grootvaders was zelfs dermate professioneel dat hij de duizend-stukjes-puzzels volledig op de kop, met de groene kant boven, wist op te lossen. Zijn kerstdagen waren er wel meer dan twee, dat wel.
Wij zelf doen het de laatste jaren graag met afbeeldingen van Japan. Japanse tuinen en landschappen, oshinomura, yamanashi, met uitzichten op de Fujisan. Dit jaar wagen we ons aan een Ghibli-prent. Een prachtig getekende en als aquarel ingekleurde landschapsschildering die als achtergrond decor fungeert in Pompoko, een van de Studio Ghibli-films. Met zo'n prent zijn de eigen opgedane ervaringen en belevenissen van de afgelopen jaren tastbaar en nabij.



Een tweede reden waarom we met name graag Japanse puzzels maken is dat we niet langer met een zaklamp op onze knieën over de vloer onder de tafel hoeven te zoeken tussen de plakkerige restjes, korrelige kruimels en scherpe scherfjes van respectievelijk kerststol, kerstkrans of kerstbal. Niet langer de kamer door hoeven wanneer er na een lange puzzelmiddag stukjes blijken te ontbreken. Niet langer graaien tussen de taaie draden spinrag in de convectorput. Niet langer familieleden verdenken er graag met de eer van jouw werk vandoor te gaan. Niet langer fouilleren en zo de vredige kerstsfeer onderbreken.

Onderstaand formulier voorziet in de behoefte van de puzzelaar die een stukje heeft verloren. Zulk een service was ons tot op heden onbekend! Wanneer je aan de fabrikant het typenummer van de puzzel en het missende stukje - hoe dan? nou, zo: het zoveelste van links en zoveelste van boven - laat weten kun je het binnen een alleszins redelijk aantal dagen per post verwachten!




De legpuzzle mag dan een Europese vinding zijn, Japan heeft ook deze waarlijk verbeterd.

zaterdag 18 december 2010

Yasunari Kawabata’s Sneeuwland

Waarde lezers,
De meesten van jullie zijn wellicht bekend met de Japanse auteur Haruki Murakami. In zijn thuisland vinden zijn boeken gretig aftrek, omdat zijn boeken treffend de tijdsgeest van het hedendaagse Japan weergeven. Hij portretteert een Japan dat zich in een spagaat bevind tussen de oude traditioneel Japanse waarde en de nog immer toenemende invloed van het Westen.


Dat deze wrijving tussen oud en nieuw Japan al langer aan de gang is, behoeft voor Japanologen geen uitleg. Al sinds de Meiji restauratie van 1868 trachten de Japanners de onvermijdelijke instroom van Westers cultuurgoed te kanaliseren. Op literair gebied speelde de schrijver Yasunari Kawabata (1899 – 1972) een rol van betekenis in dit proces, en hiervoor ontving hij zelfs de nobelprijs voor de literatuur van 1968. Omdat één van Kawabata’s meest bekende romans, Yukiguni (in het Nederlands vertaald als ‘Sneeuwland’) (1947), gelezen kan worden als een werk dat met de toenmalige identiteitscrisis van Japan probeert om te gaan, wil ik jullie een beknopte samenvatting van de plot geven, alsmede een uitleg hoe Kawabata Japanse traditie in moderne vorm wist voort te zetten.


Het plaatsje Yuzawa vormt het decor waartegen de plot van Yukiguni zich afspeelt. Centraal staat de liefdesaffaire tussen de uit Tokyo afkomstige dilettant Shimamura en de in Yuzawa werkzame geisha Komako. Shimamura is een welgestelde, zelfbenoemde balletexpert en reist af naar het Sneeuwland om te ontsnappen aan het hectische Tokyo. Tijdens zijn verblijf in Yuzawa houdt Komako hem gezelschap. De relatie tussen Shimamura en Komako is vanaf het begin af aan gedoemd om te mislukken.

Deze mislukte relatie vormt het centrale thema van de roman. Komako is geisha geworden zodat zij de dokterskosten van de zieke jongeman Yukio kan betalen. Het wordt niet duidelijk of hij haar verloofde is of niet. Shimamura is een flink aantal jaren ouder dan Komako en bovendien getrouwd. Nadat Shimamura acht dagen in de bergen rond Yuzawa heeft doorgebracht gaat hij naar de onsen (traditionele badgelegenheid waarvan het water aan een geiser ontspringt) en vraagt hij om het gezelschap van een geisha. Omdat alle geisha het echter druk hebben met een festival in het dorp is Shimamura aangewezen op leerling geisha Komako.

Shimamura is een dromerige estheet, die het leven nooit met beide handen aangrijpt maar het liever vanaf een veilige afstand gade slaat. Komako is juist de tegenpool van Shimamura en leeft haar leven juist vol overgave.
Het onvermogen van Shimamura om werkelijk lief te hebben staat telkens weer in sterk contrast met de allesverzengende liefde die Komako voor Shimamura koestert. Na een tijd echter keert Shimamura terug naar Tokyo en bezoekt het Sneeuwland meer dan een jaar later pas voor de tweede maal. Bij terugkeer is Komako een echte geisha geworden. Hun relatie blijft problematisch.
Komako ziet in dat haar gevoelens voor Shimamura zinloos zijn en probeert hem uit haar wezen te bannen. Ze kan Shimamura echter niet zo gemakkelijk opgeven en ze gaat tegen de regels van de geisha-wereld in die stelt dat ze geen liefdesrelatie met een klant mag beginnen.

De verhoudingen worden nog verder gecompliceerd door het meisje Yoko, dat Shimamura aan het begin van het verhaal in de trein heeft ontmoet. Hoewel hij maar enkele glimpen van haar opvangt, voelt hij zich ook sterk tot haar aangetrokken en komt hij in een driehoeksverhouding met Yoko en Komako terecht. Aan het eind van de roman sommeert Komako Shimamura om te vertrekken uit Yuzawa en nooit meer terug te keren. Op deze wijze hoopt ze haar eer als geisha te herstellen en een normaal leven te leiden. Shimamura staat uiteindelijk, hoewel hij maar moeilijk van Komako afscheid kan nemen, op het punt om te vertrekken, maar dan vindt een vreselijke
tragedie plaats in het dorp…

Ten eerste kunnen de reizen die Shimamura vanuit Tokyo naar het plaatse Yuzawa maakt opgevat worden als een reis vanuit de moderne, stadse chaos van Tokyo naar een platteland waar de tijd heeft stilgestaan. Deze reis naar het verleden wordt gelijk in de eerste passage duidelijk gemaakt, als we kunnen lezen hoe de trein van Shimamura door een tunnel het Sneeuwland in rijdt. Kawabata wijdt uit met lyrische beschrijvingen van het landschap, die doen denken aan klassieke Japanse natuurpoëzie.
Ook zorgen de beschrijvingen van traditionele Japanse ambachten, als het bleken van stof voor kimono ervoor dat de lezer zich in een Japan waant waar de jachtigheid van het moderne bestaan nog niet is doorgedrongen.

Ten tweede weet Kawabata moderne literaire stijlfiguren als montage en de traditionele haiku dichtkunst samen te brengen in deze roman. De montage komt treffend naar voren als Shimamura in de treinruit kijkt, en daarin het gezicht van Yoko ziet dat lijkt te drijven in het achterliggende landschap. Yoko staat hier symbool voor zuivere Japanse schoonheid, en door haar te laten drijven in het landschap wil Kawabata wellicht de suggestie wekken dat een dergelijke zuiverheid gedoemd is te verdwijnen in het moderne Japan. Tegenover deze individuele verzuchting van de protagonist staat een universele vergelijking die hij doormiddel van een Haiku maakt. Shimamura vergelijkt een versleten vloer met een versleten koffer die op die vloer staat, en trekt de conclusie dat dit een herfstachtige sfeer oproept.

Tot slot kunnen we concluderen dat Kawabata met zijn roman een poging doet om voor hem onbegrijpelijke modernisering van Japan begrijpelijker te maken. Net als hoofdpersoon Shimamura heeft hij geen echt contact met het veranderende Japan, en grijpt terug op tradities die langzaam maar zeker aan het verdwijnen zijn. Door zijn romans in het gestandaardiseerde Japans dat na de Meiji restauratie tot stand kwam te schrijven, slaagt Kawabata er naar mijn mening goed in om de herinnering aan een traditioneel Japan dat hem zeer na aan het hart ligt levend te houden. Ik kan iedereen dan ook van harte aanbevelen om Yukiguni ter hand te nemen en je mee te laten slepen door deze fascinerende klaagzang over het lot van traditioneel Japan.

donderdag 16 december 2010

Slechte stem? Daijoubu!

Het leuke – of nare, hoe je er tegenaan kijkt – van onze studie is dat je nooit uitgeleerd bent. Sterker nog: er zijn zelfs Japanse zaken die je nooit zult kunnen begrijpen. Een voorbeeld? Ik studeer hier nu al ruim drie jaar en snap nog altijd niets van het idee van Japanse popmuziek.
Laat ik, om misverstanden te voorkomen, gelijk een scheiding aanbrengen. Net als in bijvoorbeeld de Amerikaanse industrie, zijn er aan de ene kant singer-songwriters die een muzikale opleiding genieten of zich een instrument meester maken alvorens ook maar iets op tape te zetten. De andere kant van het muzikale spectrum wordt gevuld door bands, waarvan de bezetting bestaat uit jongens en meisjes zonder noemenswaardig talent of muzikale opleiding. En daar wil ik het over hebben.


Ik begin bij het begin: de totstandkoming van zo’n band. Je kunt een vuistdikke telefoongids vullen met telefoonnummers van alle verschillende 'talent agencies'. En dan duidt talent niet verdienstelijk viool kunnen spelen of een lekker eindje weg pingelen op een piano aan, maar doelt het puur op uiterlijk.
De buitenkant is het enige wat telt wanneer een producer deze agentschappen belt. Bizar, maar waar: in die wereld is een goed uiterlijk een talent. Elke moeder mag bellen en wordt dan ook van harte uitgenodigd dit te doen wanneer zij het gevoel heeft dat haar zoon iets los zou kunnen maken bij tienermeisjes. Goed, dan heb je vijf pubers bij elkaar. Het repertoire is van ondergeschikt belang: een beetje producer heeft dat al maanden, zo niet jaren klaarliggen. Zie het als een vijfjarenplan. De volgende stap: een zo groot mogelijk publiek proberen aan te spreken. Met andere woorden: blonderen, zoveel mogelijk ringen door die oren en gáán!

Het is ook zaak zo jong mogelijk te beginnen, want kleine jongetjes worden groot (en oud) en verkopen op een gegeven moment niet meer. En je wil uiteraard voorkomen dat het gênant wordt. Bepaalde groepen worden afgeserveerd omdat ze ofwel slechte muziek zouden maken, ofwel niet zouden kunnen zingen. Uitgekotst omdat je iets niet kunt wat niemand in die industrie kan. Het is een keihard bestaan.

Tot zover het ‘muzikale’ aspect. Minstens zo belangrijk is de merchandising, en wat dat betreft is Japan de natte droom van iedere band van deze soort: als je aanslaat, sla je ook echt aan en kun je je beeltenis op werkelijk ieder voorwerp kwijt. Dat houdt in dat je kleuters breed toelacht vanaf broodtrommeltjes, scholieren vanaf etuis en jonge volwassenen vanaf mobiele telefoons. Er wordt grof geld verdiend met - jawel – foto’s van jongens uit bands. Inderdaad, er worden honderdduizenden yens uitgegeven aan afbeeldingen die iedereen op het internet kan opzoeken. Rijk worden in Japan? Koop een printer, een pak papier en ga eens per week in het park zitten met je handel. Tel uit je winst.

Een Japanner kan zijn televisie niet aanzetten of een van de vele aidoru ('idol') geeft zijn of haar professionele mening in een of andere dubieuze spelshow. Dat is jammer als je niet zoveel om dat soort figuren geeft, want er is simpelweg geen ontkomen aan. Naast albums vol te blèren, schuiven ze maar al te graag aan in nieuwsprogramma’s, acteren (lees: pratend door het beeld wandelen) in soaps en verslaan ze evenementen vanuit het buitenland. Kwalitatief zeer hoogstaand allemaal. Is het dan allemaal naar en slecht? Nee. Niet helemaal, want de ongekende populariteit van dit soort bands zorgt er wel voor Japan een van de weinige landen ter wereld is waar niet alleen cd’s, maar zelfs singles nog verkocht worden. Bovendien zijn sommige liedjes zeker pakkend te noemen. Maar het overgrote merendeel wordt gevormd door een nauwelijks aanhoorbare mix van R&B en slechte popmelodietjes. Daar wil je zelfs een buurman waar je al jaren ruzie mee hebt niet mee lastig vallen.

Al het beschrevene kwam in de zomer van 2009 samen toen ik in een groot winkelcentrum te Tokyo werd geconfronteerd met een optreden van twee debuterende zangers. Hun namen zijn mij helaas ontschoten, maar veel ouder dan vijftien zullen ze niet zijn geweest. Naast het podium stond een enorme merchandise-kraam. Hoe langer ik daar over nadenk, hoe minder ik ervan begrijp. Stel je voor, je bent een aankomend zanger. Nog nooit heeft iemand gehoord van jou of je muziek – althans, wat een producer voor jou heeft bedacht. En toch laat je allerlei prullaria met je eigen naam en beeltenis erop fabriceren. Om het vervolgens allemaal te verkopen. Bizar.
Hun gezang werd ruimschoots overstemd door een gillende horde vrouwelijke fans, waarvan minstens de helft oud genoeg was om hun moeder te zijn, wat mij het opvangen van enig stemgeluid schier onmogelijk maakte.
Waarschijnlijk heb ik er niet veel aan gemist.

maandag 23 augustus 2010

Kyoto, deel II: Tempel in, schrijn uit

Waar Tom vorige week schreef over onze algemene indrukken van Kyoto en haar inwoners, zal ik ingaan op de tempels en schrijnen die we aldaar bezochten. Kyoto en het nabijgelegen Nara zijn van oudsher belangrijke plaatsen voor Boeddhisme en Shintoïsme, de twee belangrijkste religies van Japan. Zoals Tom opmerkte heb ik in de loop der jaren wat meer over het Japanse religieuze systeem mogen leren. Ik hoop derhalve aan de hand van twee heiligdommen in Kyoto, de Kiyomizu tempel en de Fushimi Inari schrijn de lezer in te wijden in de Japanse religie en het verschil tussen tempel en schrijn te verhelderen.

De Kiyomizu tempel is één der beroemdste tempels van Japan, en niet in de laatste plaats om zijn ligging. Het complex is tegen een bergwand in de oostelijke heuvels van Kyoto aangebouwd en biedt een prachtig uitzicht over de stad. Wij waren zo fortuinlijk om de Kiyomizu in de avond te bezoeken, waardoor een prachtig verlicht schouwspel ons ten deel viel. Met name de houten constructie die de Hondo (centrale hal) op de bergwand deed rusten en de waterval die door het complex stroomt sprongen in het oog. De tempel is vernoemd naar deze Kiyomizu waterval, hetgeen zoveel als zuiver water betekent. Omdat de Japanners geloven in de heilzame werking van dit zuivere water heeft men een huisje om de waterval gebouwd waar het water gedronken kan worden. De familie Ikeda adviseerde ons dringend om vooral een slok van het Kiyomizu te nemen. Braaf gaven wij daar aan gehoor en als het water al niet zijn kracht op ons deed uitwerken dan ondergingen we in ieder geval het schouwspel van de prachtige lichtjes die door de waterstralen schenen.


Dat het hier een Boeddhistisch tempel betreft, is allereerst af te leiden uit de aanwezigheid van een pagode. Deze toren bij de ingang van de Kiyomizu tempel telt drie verdiepingen en bevat een afbeelding van de godheid Koyasu Kannon die bevallingen vergemakkelijkt. Bij elke Boeddhistische tempel treft men een pagode aan waar altijd een reliek van de Boeddha of een godheid in bewaard wordt. Ten tweede bevat de Kiyomizu tempel de hierboven reeds genoemde Hondo, waar het centrale object van de tempel vereerd wordt. In het geval van de Kiyomizu tempel is de Hondo aan de Boddhisattva Kannon gewijd die de godheid van de genade is. De Hondo kan betreden worden door de gelovigen. Op deze manier komt het 'tempel in' uit de titel tot stand. Zoals we namelijk dadelijk gaan zien is het in een Shinto schrijn niet mogelijk om het binnenste van het gebouw te betreden. Naast de Hondo is er tenslotte ook een ruimte ingericht voor de monniken van de tempel. Deze Kodo wordt door de monniken gebruikt om in te studeren en zich van hun gebedstaken te kwijten. In tegenstelling tot de Hondo is deze Kodo niet toegankelijk voor een lekenpubliek.

Naast de Kiyomizu tempel bezochten we de Fushimi Inari schrijn, die tot het Shintoïsme behoort. Een verschil dat onmiddellijk opvalt is de kleur van de Inari schrijn. Waar de Kiyomizu dera in sombere bruintinten is gestoken heeft men de Fushimi Inari schrijn felrood geverfd. Hoewel sommige Boeddhistische gebouwen ook in dit Chinees rood zijn geverfd, worden Shinto-tempels vaker van deze kleur voorzien. Het belangrijkste kenmerk bij binnenkomst van de Shinto-tempel, is de zogenaamde Torii. Deze poort markeert de scheiding tussen de profane wereld en de heilige grond van de schrijn. In het geval van de Fushimi Inari schrijn worden we getrakteerd op een prachtige rij van maar liefst duizend Torii die achter elkaar zijn geplaatst. Op wonderlijke wijze vinden Japanse traditie en de moderne tijd hier elkaar. Op de achterkant van de Torii kan men namelijk tegen betaling van een forse som geld de naam van het eigen bedrijf laten snijden. Voor de nietsvermoedende westerling hebben de ingekerfde Japanse karakters ongetwijfeld iets sprookjesachtig, maar wij konden duidelijk de namen van bedrijven als Mitsubishi en Matsushita ontwaren.



Zoals al eerder ter sprake kwam is het grote verschil tussen de Boeddhistische tempel en de Shinto schrijn, dat het hoofdcomplex van de Boeddhistische tempel wel toegankelijk is en het hoofdcomplex van de Shinto schrijn niet te betreden is. Hierin huist in het geval van de Fushimi Inari schrijn de vos-kami (natuurgeest/god) Inari.

Deze Inari is de beschermgod van de landbouw in Japan. Omdat de kami zelf in het hoofdcomplex huist, kan deze door geen enkele sterveling betreden worden. Hier is het 'schrijn uit' van toepassing. Wel kan er om een gunst gevraagd worden aan Inari door zogenaamde Ema te gebruiken. Op deze houten plaatjes kan men een wens schrijven, waarna ze aan een rek worden gehangen. Eens per week verzamelen de priesters van de schrijn de ema en verbrandt men ze om de wens naar de kami op te laten stijgen.



Hoewel de bovengenoemde kenmerken het verschil tussen een Boeddhistische tempel en een shinto schrijn iets verduidelijken, is het onderscheid zeker niet absoluut. Omdat de Japanners vóór de invloed van het westen geen duidelijk onderscheid maakten tussen doctrines uit het Boeddhisme en doctrines uit het Shintoïsme, lopen tempel en schrijn vaak naadloos in elkaar over. Waar het voor de westerling schier onmogelijk lijkt om het overzicht enigszins te bewaren, heeft ook de Japanner moeite om Boeddhisme en Shintoïsme uit elkaar te houden. Men is namelijk van mening dat rituelen uit beide religies gecombineerd kunnen worden om maximaal effect voor de gelovige te bereiken. Hoe het ook zij, de Kiyomizu tempel en de Fushimi Inari schrijn waren een lust voor het oog.

De bezoeken aan deze meesterwerken van Japanse architectuur vormden voor ons zeker de spreekwoordelijke puntjes op de i van onze Kyoto reis.

woensdag 18 augustus 2010

Het zit er bijna op

Zo de titel van een schrijven de lezer richting mag geven over wat hij/zij aangaande de inhoud mag verwachten, zetten we u toch even op het verkeerde been. U denkt immers ongetwijfeld dat we weer naar huis gaan. En dat is ook zo, de koffers zijn gepakt, de kamers van het Weekly Mansion gezellig gezogen en grondig gestoft: niemand zal de mannen van Omes ooit kunnen verwijten ergens onwelvoeglijke sporen achter te laten. Bovendien hebben we ons bij de verhuurder omstandig verontschuldigd voor de zweem van schimmel die in het douchegordijn waarneembaar werd. Het stofzuigen is een Nederlands of zelfs specifiek Omes-opvoedingstrekje, het verontschuldigen een Japanse kweek. Natuurlijk kunnen wij er in deze tropische hitte niets aan doen dat een dubbelgevouwen plastic gordijn in een slecht geventileerde ruimte onvermijdelijk aan het schimmelen slaat, maar toch. Het kan voorwaar geen kwaad om je te verexcuseren voor de eventuele overlast. En nu dat verkeerde been: Het zit er bijna op slaat in onderstaand schrijven op stoelgangperikelen.

We gingen voorbereid op pad: van huis uit werd de helft van de koffer in beslag genomen door pakken met stoelgangbevorderende zemelen uit de reformzaak. Japanners eten immers wel brood, maar uitsluitend in de witte variant. Geen greintje graan. Verstopping gegarandeerd. Gul offeren aan het “huisaltaar” is er zonder zemelen niet bij. (zie beslist ook onze eerdere blog over het Japanse gerief).

Reeds na enkele dagen in Japan merk je dat je niet alleen anders eet, maar dientengevolge ook anders ruikt. Je huid ruikt niet meer naar melk(?), maar naar groene thee. Of vis. Huuuh. (Tom) Of vis. Haaaahh. (Pim).

Alles smaakt in eerste instantie naar groene thee, of vis. Of in elk geval naar dashi, de bouillon op basis van bonito-vlokken die in nagenoeg elk gerecht als grondstof wordt gebruikt. Zelfs in ons favoriete gerecht Katsudon – favoriet want lijkend op de vertrouwde Europese Schnitzel – wordt dashi kwistig gebruikt en men slaagt er in om het van oorsprong Oostenrijkse gerecht toch te japaniseren. Prima, niets van te zeggen, de kaart in een Japans of Chinees restaurant in Nederland is vaak ook aangepast aan de smaakpapillen van de Nederlander, die vooral nog eens terug moet willen komen. Authentiek versus Lekker.

In tweede instantie, na enkele weken, nemen we echter verschillende smaken waar. We ervaren de verschillen in het slurpen van soba, udon, somen en ramen. Tom schreef al eerder over de duizend soorten soyasaus. Wij onderscheiden er in elk geval al minstens tien en weten en waarderen de soya variant die het beste past bij de bovengenoemde noodles. We leren dat zout niet nodig is, dat de groente een eigen smaak heeft, die door zout niet versterkt of verborgen hoeft te worden. Soyasaus giet je ook niet over de noodles heen, maar je dipt je plukje vluchtig in een naast het bord gezeten kommetje saus. Tafelgrillen thuis zal nooit meer het zelfde zijn: veel te veel sauzen op basis van mayonaise en daardoor veel te vet en de smaak van vlees of vis maskerend. Vroeger vonden we het heimelijk fijn als de fles - Bloeb – plots een grote plons saus op het bord plengde. Dat was een ongeluk, een ontwerpfout van de fles, ons niet te verwijten. Nu komt ons dat ruig voor.

Japanese food is diet-food, zei Hiromi. En inderdaad, we laten elk enkele kilo’s achter in Tokyo. Grotendeels door het caloriearme dieet en deels vermoedelijk ook door de hitte, we verdampen wat af. Tijdens ons bliksembezoek aan het nu immens warme Kyoto was plassen niet nodig, overtollig vocht zweet gewoon via de huid naar buiten. Gelukkig maar, want Tomoko had wederom een intensief programma uitgestippeld en sleurde ons door Kyoto heen. 1800 tempels in drie dagen, het is nogal wat.

De zemelen zijn zo goed als op, we moeten terug. Het zitten in Japan verruilen we voor een half jaartje weer voor het zitten op het gerief thuis. Met weemoed, het was andermaal een prachtige reis, veel gezien, veel geleerd, veel aangestaard (in Kyoto) en veel gesmaakt. We nemen ons voor om thuis verder te gaan in het schrale en sobere noodle-eten. Inmiddels smakelijk en zo klaar. Bij wijze van furikake strooien we er zemelen overheen.

Morgen reizen we terug. Bloed kruipt waar het niet gaan kan. Wanneer een ieder in het vliegtuig verdiept is in de speelfilms, dromen wij van bruin brood en kaas.

Kyoto, deel I: gaijin

Met meer dan 1800 tempels en heiligdommen is oud Japan goed vertegenwoordigd in Kyoto. Waar het in Tokyo in sommige wijken speuren is naar vooroorlogse architectuur zijn gigantische tempelcomplexen in de oude hoofdstad letterlijk om de paar honderd meter te vinden. De reden: vanwege het vele culturele erfgoed bleef Kyoto de geallieerde bombardementen aan het einde van de oorlog in de Stille Oceaan bespaard. Wat niet wil zeggen dat de hele stad deze ouderwetse feel heeft: alles tussen de tempels in braken de Japanners vakkundig af en vervingen het door nietszeggende betonnen blokkendozen.

Aldus was onze eerste indruk toen we Kyoto op de vroege zaterdagochtend binnenreden. De oude hoofdstad ligt precies in het midden van Honshu in de Kansai-vlakte, op een ruime 10 uur van Tokyo met de auto. Wat gelijk opviel was de rechtheid van de straten: na de wirwar aan wegen op meer dan drie niveaus in Tokyo was het tamelijk vreemd om letterlijk vanaf de ene rand van de stad de heuvels aan de andere kant op straatniveau te kunnen zien. Dit heeft alles te maken met de invloed van het Tang-China op Japan in de 8e eeuw -toen de oude hoofdstad werd gesticht- waar men op dat moment steden volgens een rasterpatroon bouwde: Kyoto is gemodelleerd naar Chang-an.




Enfin, de beleving van de tempels en heiligdommen laat ik graag aan Pim over. Hij beschikt over een veel bredere kennis van Boeddhisme en Shinto. Ik beperk me hier tot de mentaliteit van de Kansai Japanners. Want die verschilt –als je het aan iemand uit de Kanto vraagt- hemelsbreed van die van de mensen uit Tokyo. Voor de duidelijkheid: de Kansai omvat Kyoto, Kobe, Nara en Osaka als grootste steden, waar de Kanto bestaat uit de metropolen Tokyo, Yokohama, Kanagawa en Saitama. We hadden al veel gehoord over deze zogenaamde rivaliteit, maar we maakten er voor het eerst echt kennis mee toen we in de auto wachtten op Tomoko en vlak voor ons een oudere man zonder te kijken de weg overstak. Waar in Nederland op zo’n moment piepende remmen en slingerende auto’s gegarandeerd zouden zijn manoeuvreerden de automobilisten er rustig omheen, terwijl Takuo licht geïrriteerd opmerkte ‘Kansairashii’ (typisch Kansai).

Kyoto mag dan overspoeld worden door buitenlandse toeristen: de reactie op onze verschijningen was niet zelden onvriendelijk. Ontelbare keren werd ik verongelijkt of oprecht verbaasd aangestaard – en de verbazing werd alleen maar groter toen ik ook nog Japans bleek te kunnen spreken en verstaan. Met andere woorden: in tegenstelling tot het verhaal dat in Leiden rondgaat –zijnde dat de mensen in Kyoto geduldiger en behulpzamer zouden zijn- bleken juist deze mensen zo min mogelijk met toeristen van doen te willen hebben. Een directe oorzaak kan ik niet aanwijzen, al is het voorstelbaar dat de gemiddelde Kyoto’er er genoeg van heeft zijn stad te moeten delen met over het algemeen nogal lawaaierige toeristen.

Uiteraard zijn er ook uitzonderingen op de regel. De dame die het hostel runde (de Minshuku 民宿) waar we verbleven, was zeer hartelijk: ze voorzag ons iedere douchebeurt van schone handdoeken, zorgde voor verse thee en senbei en kwam iedere keer toesnellen wanneer we onze kamer verlieten. Maar onze indruk was toch tegenovergesteld aan de algemeen heersende opinie: ik voelde me van tijd tot tijd best ongemakkelijk. Iets wat wellicht te maken heeft met het feit dat we Japans verstaan. Exemplarisch was wat Pim opving toen hij in Ise even stond te wachten en gepasseerd werd door een vader met zijn twee kinderen.

‘Kijk jongens, dit is nou een buitenlander’.